Home

Piopio

De piopio Turnagra capensis (Sparrman, 1787) wordt in het Engels ook wel New Zealand Thrush genoemd. Dat is nogal verwarrend, aangezien deze vogel in het geheel niet verwant is met de lijsters (thrushes). De naam is mogelijk bedacht door een Engelsman met heimwee, die zich in de Nieuw-Zeelandse wildernis thuis probeerde te voelen door de vogels vertrouwde namen te geven. Of misschien is de misplaatste naam wel het gevolg van het feit dat men vroeger probeerde alle vogels in bekende groepen onder te brengen. Het is in ieder geval opvallend, dat veel Nieuw-Zeelandse vogels ten onrechte in verband gebracht werden met Europese soorten. Dat gebeurde bijvoorbeeld ook met een andere uitgestorven soort, het rotswinterkoninkje.

A. 't Hooft
Piopio.

Nieuw-Zeeland, niet Zuid-Afrika

Ook de wetenschappelijke naam van de piopio Turnagra capensis, wat zoveel betekent als 'turnagra van de Kaap', is verwarrend. De Zweed Anders Sparrman, die de soort beschreven heeft, was op uitnodiging van Johann Forster en Georg Forster met de tweede expeditie van kapitein James Cook in Nieuw-Zeeland geweest. Toen hij echter terug was in zijn huis in de Kaapprovincie, kon hij zich niet meer van alle vogels de juiste vindplaats herinneren. Kennelijk dacht Sparrman dat hij de piopio niet in Nieuw-Zeeland, maar in Zuid-Afrika had verzameld.

purcell
Piopio.

Twee aparte rassen

Ten tijde van Cook's reizen kwam de soort veelvuldig voor op het Zuidereiland en in het zuiden van het Noordereiland. Piopio's leefden zowel in de lager gelegen gebieden als in de bergen. Hermann Schlegel, de tweede directeur van het toenmalige Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, ontdekte dat de vogels van het Noordereiland verschilden van die van het Zuidereiland, onder meer op de borst, die bij de vogels van het Zuidereiland gestreept is. In 1866 beschreef Schlegel de noordelijke piopio als een aparte soort: Otagan tanagra. Tegenwoordig wordt de vogel van het Noordereiland slechts als een apart ondersoort beschouwd. De piopio was tam en liet zich niet door mensen afschrikken. De invoering van honden, katten en ratten werd de soort, net als zovele andere Nieuw-Zeelandse soorten, fataal. Op het Noordereiland verdween de piopio zo'n 20 jaar nadat Schlegel hem beschreven had. Rond de eeuwwisseling was ook de zuidelijke ondersoort zo goed als uitgestorven. In sommige gebieden wist hij echter nog te overleven. In 1947 werd de soort voor het laatst waargenomen.

Museumcollectie

Het Nationaal Natuurhistorisch Museum bezit drie exemplaren van de noordelijke ondersoort, waaronder het exemplaar dat Schlegel voor zijn beschrijving gebruikt heeft, en zes exemplaren van het Zuidereiland.