Home

Reuzenalk

De reuzenalk Alca impennis (Linnaeus, 1758) werd ook wel de 'pinguïn van het noordelijk halfrond' genoemd. Net als pinguïns kon hij niet vliegen en was hij het best in zijn element in het water. Deze soort, die feitelijk een grotere versie was van de alk, Alca torda, was in de hele noordelijk Atlantische Oceaan, van de Golf van St. Lawrence in Canada tot aan Noorwegen, te vinden. Verdwaalde exemplaren werden ook zuidelijker gevonden, tot aan Noord-Frankrijk toe. Uit een skelet dat in Velsen werd opgegraven, weten we dat de reuzenalk in de Romeinse tijd ook af en toe in Nederland voorkwam. Ook zijn er botten gevonden in het opgespoten zand van de Maasvlakte bij Rotterdam.


Reuzenalk

Door de jacht uitgeroeid

De reuzenalk is door de jacht uitgeroeid. Het was een gracieuze zwemmer, maar kon op het land slecht uit de voeten. Het was daardoor een gemakkelijk prooi voor zeevaarders, pelsjagers en jagers die het te doen was om de veren, die zeer gewild waren bij hoedenmakers. De bewusteloos of dood geknuppelde alken werden gekookt in grote ketels, om de veren los te maken. Het vuur onder de ketel werd gevoed met het vet van soortgenoten, die al van hun verenkleed ontdaan waren.

purcell
Reuzenalk

Geliefd verzamelobject

Aan het begin van de 19de eeuw was de reuzenalk reeds een zeldzame verschijning. Hij werd echter nog steeds bejaagd, maar nu vooral als rariteit. Vooral in Engeland, waar natuurlijke historie een rage aan het worden was, waren opgezette reuzenalken een geliefd verzamelobject. Daardoor zijn nog ruim 80 huiden en ongeveer evenveel eieren bewaard gebleven. De laatste twee reuzenalken werden op 3 juni 1844 doodgeslagen op Eldey, een miniscuul eilandje aan de zuidwestpunt van IJsland. Er bestaat ook een verslag van de jacht, vier jaar eerder, op een reuzenalk op St. Kilda. Ook dit dier werd doodgeslagen. Niet om in één of andere collectie te worden opgenomen, maar als voorzorgsmaatregel. Men meende dat de vogel wel eens een heks zou kunnen zijn.

purcell
Reuzenalk

Museumcollectie

Het Nationaal Natuurhistorisch Museum bezit een opgezet exemplaar en een ei. Het ei is afkomstig van Newfoundland en was ooit onderdeel van de privéverzameling van de oprichter en eerste directeur van het museum, Coenraad Jacob Temminck. De herkomst van het opgezette exemplaar is niet met zekerheid bekend. Mogelijk is dit het exemplaar dat op 19 april 1833 door de Amsterdamse handelaar G.A. Frank sr. voor ƒ50,- werd aangeboden. Temmincks opvolger Schlegel heeft nog een reuzenalk weten te bemachtigen. Op 30 april 1860 ruilde Schlegel, wederom met de handelaar Frank, een reuzenalk voor een collectie huiden van vogels en zoogdieren. De vogel was toen al uitgestorven en exemplaren waren dan ook een stuk meer waard. De waarde van het exemplaar dat Schlegel ruilde, wordt geschat op ƒ220,-. Frank verkocht dit exemplaar door aan de Italiaanse Graaf Ercole Turati, na wiens dood het in het museum van Milaan belandde.