Home

Olijfgroene ibis

Johannus Gerardus Keulemans werkte in het midden van de 19de eeuw als tekenaar voor het toenmalige Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Zijn ambitie was echter om als natuurwetenschapper te reizen en te verzamelen. Die kans kreeg hij in 1865, toen hij de Kaapverdische Eilanden en Prinseiland in de Golf van Guinea bezocht. Na zijn reis schreef hij een artikel onder de titel "Opmerkingen over de vogels van de Kaap-Verdische Eilanden en van Prins-Eiland (Ilha do Príncipe) in de bogt van Guinea gelegen", dat werd gepubliceerd in het Nederlandsch Tijdschrift voor de Dierkunde.


Olijfgroene ibis.

Smakelijk vlees

Toen Keulemans op Prinseiland was, ving hij een vrouwtje van de olijfgroene ibis Bostrychia olivacea rothschildi  (Bannerman, 1919). Volgens hem waren deze vogels 'verbazend vet. Hun vleesch is smakelijk en door de inwoners zeer gezocht; van het armbeen worden roertjes voor pijpen gemaakt.' Toentertijd meende men dat de vogels van het eiland niet verschilden van de ibissen die nu nog steeds in grote delen van Centraal-Afrika te vinden zijn. Een halve eeuw later zou David Bannerman echter een artikel schrijven waarin de vogels van Prinseiland als een apart ras werden beschouwd, waarvan de kleur van de kuif verschilde van die van de vogels van het vasteland.

Niet te zien, wel te horen

De ibissen van Prinseiland leefden in de ondoordringbare moerassen en het was dus een hele toer om de dieren te zien te krijgen. Te horen waren ze wel: de vogels maakten een zeer typisch geluid, dat sterk aan het gekras van een raaf deed denken. In de loop van de 20ste eeuw werden de ibissen van Prinseiland niet meer waargenomen en ook hun roep was niet meer te horen. Het is niet duidelijk waardoor de olijfgroene ibis uitstierf. Uit het verslag van Keulemans kunnen we afleiden, dat de vogels in ieder geval bejaagd werden. Bovendien zijn de moerassen waar ze leefden drooggelegd, zodat het leefgebied verdween. Slechts weinig exemplaren van het ras van Prinseiland zijn in musea bewaard gebleven.