Home

Blaauwbok

De blaauwbok Hippotragus leucophaeus (Pallas, 1766) of blauwe antilope is, voor zover bekend het eerste Afrikaanse zoogdier dat in historische tijd is uitgestorven. De soort had al een zeer klein verspreidingsgebied toen ze in de 17de en 18de eeuw voor het eerst door de Europeanen werd ontdekt. Daar, op de groene graslanden aan de zuidpunt van Afrika, graasden deze sierlijke antilopen. Ze kwamen toen waarschijnlijk alleen nog voor in het gebied ten zuiden van Swellendam.

Als eerste vermeldde de Duitser Peter Kolb in 1719 het bestaan van een "blauwe bok". Al in 1774 viel het de Zweedse natuurkenner Carl Peter Thunberg op, dat de dieren zeldzaam begonnen te worden. Volgens de Duitse zoöloog Martin Lichtenstein is de laatste blaauwbok in 1799 gedood. De huid was volgens hem naar Leiden gezonden.


Blaauwbok

Oorspronkelijke verspreiding

Kort na de laatste ijstijd, zo'n tienduizend jaar geleden, moet de blaauwbok algemeen zijn geweest op de grasvlakten in het uiterste zuiden van Afrika. De vele vondsten van zogeheten sub-fossiele beenderen wijzen op een verspreidingsgebied, dat liep van de uiterste westpunt van de Kaapprovincie tot ongeveer 250 oosterlengte. Waarschijnlijk begonnen blauwe antilopen zo'n 2000 jaar geleden al af te nemen. Hoe dat kwam, is enigszins raadselachtig. Er zijn verschillende oorzaken geopperd: het warmer worden van het klimaat, waardoor het grasland veranderde in struikgewas en bossen, of de introductie van schapen en ander vee. Concurrentie met schapen, ziekten en jacht hebben wellicht bijgedragen tot de achteruitgang de blaauwbok en het inkrimpen diens verspreidingsgebied.

purcell
Blaauwbok

Toen de Europese onderzoekers en jagers de blaauwbok ontdekten, stond hij al op uitsterven. Het in cultuur brengen van de Kaapkolonie en de jacht met vuurwapens maakten korte metten met de laatste kleine kuddes en de soort was al uitgestorven voordat de eerste natuurhistorische kabinetten en musea een behoorlijk aantal exemplaren konden verzamelen. Het mag een wonder heten dat er toch nog enkele blaauwbokken bewaard zijn gebleven.

Museumcollectie

Er bestaan vier opgezette blaauwbokken: in Leiden, Stockholm, Parijs en Wenen. Als we de vele botten die zijn opgegraven in het vroegere verspreidingsgebied van de soort niet meetellen, zijn er nog twee schedels: in Amsterdam en Glasgow, en drie paar horens: in Uppsala, Londen en Kaapstad. Geen van deze exemplaren is voorzien van goede gegevens over de herkomst. De blaauwbok in het Nationaal Natuurhistorisch Museum is het oudst bekende exemplaar. Het bestond al in 1766, toen de Duitse zoöloog Peter Simon Pallas de soort zijn wetenschappelijke naam gaf. Pallas schreef dat hij in Nederland "verscheidene" huiden had gezien, maar vermeldt niet waar. Blijkbaar is het Leidse exemplaar het enige uit die tijd dat nog bestaat. Het is te herkennen op een afbeelding, geplubiceerd in 1778 door J.N.S. Allamand, hoogleraar in de dierkunde te Leiden. We weten niet hoe de huid in Nederland terecht gekomen is of waar en wanneer die is verzameld.

Perfect opgezet

Wat we wel weten, is dat de huid eerst eigendom was van de Amsterdamse apotheker J.C. Klöckner, die vermaard was om de manier waarop hij dieren opzette. Klöckner had de huid in Amsterdam gekocht en vervolgens opgezet. In 1776 kwam dit exemplaar terecht in een natuurhistorische verzameling in Haarlem. Daar werd het op 15 april 1842 tijdens een veiling verkocht aan Hermann Schlegel, destijds conservator van het Leidse Museum onder directeur Coenraad Jacob Temminck. De documenten en reçu's die betrekking hebben op de aankoop, zijn er nog. Ze laten onder meer zien dat het dier naar Leiden werd gebracht op een trekschuit: een door een paard getrokken vaartuig. In die tijd was dat in Holland een algemeen vervoermiddel.

Na meer dan twee eeuwen is de huid nog steeds in prima staat: een bewijs voor Klöckners vakbekwaamheid. De vacht van het oude dier, een volwassen mannetje, is wel wat verbleekt en nogal dun, maar de horens zijn prachtig. Bij geen van de vier in musea bewaarde huiden is de blauwe glans te zien, die door verschillende auteurs is beschreven. Misschien werd deze veroorzaakt, doordat bij oudere dieren de donkere huid door de dunner wordende vacht heen te zien was. De schedel in Amsterdam is pas kort geleden herkend als die van een blaauwbok. Misschien is dit wel de schedel van het laatste geschoten exemplaar, waarvan Lichtenstein meldde, dat het naar Leiden was gezonden. Er is geen bewijs dat er zich ooit een tweede blaauwbok in de Leidse collectie heeft bevonden, maar er zijn wel andere exemplaren in Haarlem en Amsterdam geweest, die kennelijk verloren zijn gegaan.