Home

Javaanse tijger

Zo'n 1,2 miljoen jaar geleden leefden er al tijgers op Java. Dat blijkt uit fossielen van Panthera tigris trinilensis die opgegraven zijn bij Trinil, de vindplaats waar ook de beroemde Javamens gevonden is. Deze botten behoren tot de oudste tijgerfossielen ter wereld. Ze maken deel uit van de beroemde Dubois-collectie in het Nationaal Natuurhistorisch Museum. Panthera tigris trinilensis is weliswaar op Java gevonden, maar is waarschijnlijk niet de voorouder van de Javaanse tijger, Panthera tigris sondaica (Temminck, 1844). Tijdens de IJstijden waren de grote Indonesische eilanden verschillende malen verbonden met het vasteland, waardoor verscheidene diersoorten de eilanden konden bereiken. De nieuwkomers verdrongen vaak de oorspronkelijke fauna. De laatste keer gebeurde dat tijdens het Laat-Pleistoceen, zo'n 50 duizend jaar geleden. De tijgers die Java toen bereikten, raakten geďsoleerd toen de zeespiegel steeg en Java weer een eiland werd. Uiteindelijk zou deze populatie zich ontwikkelen tot de Javaanse tijger, een vorm die gekenmerkt wordt door zijn dichte strepenpatroon.

A. 't Hooft
Javaanse tijger.

Reservaten boden geen uitkomst

Aan het begin van de 19de eeuw kwamen tijgers nog overal op Java voor. Steeds meer delen van het eiland werden in cultuur gebracht. Tijgers werden meedogenloos bejaagd of vergiftigd. Rond 1940 waren ze alleen nog te vinden in de afgelegen meest bossen en gebergten. Reservaten boden geen uitkomst, omdat tijgers hebben een groot jachtgebied nodig hebben. De kleine reservaten lagen te ver uit elkaar, zodat er geen levensvatbare populatie bleef bestaaan.

purcell
Javaanse tijger.

In de jaren zestig verdween de tijger zelfs uit het Ujong Kulon reservaat op de westpunt van Java, waar nu nog de laatste Javaanse neushoorns leven. Alleen in het onherbergzame Meru Betiri in Zuidoost-Java wist de tijger stand te houden. In 1972 werd in dit gebied een reservaat ingesteld. Maar ook Meru Betiri was uiteindelijk niet groot genoeg. In 1979 stelde men aan de hand van sporen vast dat er nog hoogstens drie tijgers leefden. Aan het begin van de jaren tachtig moet de Javaanse ondersoort zijn uitgestorven.

purcell
Javaanse tijger.

Museumcollectie

Het Nationaal Natuurhistorisch Museum bezit twee opgezette Javaanse tijgers, één skelet en een tien schedels. Eén van de huiden, een jong vrouwtje met een afwijkend strepenpatroon, werd in 1820 of 1821 op West-Java verkregen door Heinrich Kuhl, Johan Cristiaan van Hasselt en Gerrit van Raalten. Zij behoorden tot de eerste Nederlandse zoölogen, die naar Nederlandsch-Indië werden gestuurd om daar de natuurlijke rijkdommen van de archipel te onderzoeken. De meesten van deze veelbelovende jonge mensen vielen enige jaren of soms al enkele maanden na hun aankomst ten prooi aan tropische ziekten.

Het skelet in het Nationaal Natuurhistorisch Museum is ook door Kuhl en Van Hasselt verzameld. Aan de hand van de huid en het skelet beschreef de eerste directeur van het museum, Coenraad Jacob Temminck, in 1844 de ondersoort Felis tigris sondaica. Het tweede opgezette exemplaar is een prachtig mannetje afkomstig uit de Rotterdamse dierentuin, ingevoerd uit Java in 1920 en overleden in januari 1931.