Home

Witvoetboomrat

De witvoetboomrat  Conilurus albipes (Lichtenstein, 1829) leefde in Zuidoost-Australië. Er is weinig over deze soort bekend. Het waren nachtdieren die altijd in de buurt van bomen waren te vinden. Overdag sliepen ze in een nest van droge bladeren, gebouwd in een omgevallen boomstam of in een holle tak. De Britse zoöloog Gould beschrijft hoe hij deze boomrat ving, gewoon door de takken waarin het dier sliep, af te zagen. Op een dag ontving Gould een vrouwtje, dat hem toegezonden werd door de gouverneur van Zuid-Australia, Sir GeorgeGrey. In de begeleidende brief schreef Grey:

"Het exemplaar dat ik u doe toekomen, een vrouwtje, had drie jongen die aan haar tepels hingen toen zij werd gevonden. Zolang er nog leven in de moeder was, bleven de jongen vastgezogen aan haar tepels. Toen ik de jongen van de dode moeder afhaalde, beten ze in mijn handschoen en zogen zich zo hard vast, dat ik ze slechts met moeite los kon maken."


Witvoetboomrat.

Sinds 1875 is de witvoetboomrat niet meer waargenomen. Waarschijnlijk is de soort uitgeroeid door de vossen en katten die met de kolonisten waren meegekomen.

purcell
Witvoetboomrat.

Museumcollectie

Er zijn slechts weinig museumexemplaren van deze soort bekend. Het Nationaal Natuurhistorisch Museum bezit een opgezet exemplaar en twee schedels; het museum in Victoria bezit ook twee exemplaren. Daarnaast zijn er nog enkele witvoetboomratten te vinden in Europese musea. De herkomst van het Leidse exemplaar is niet bekend. Volgens het etiket is het op Tasmanië gevangen, maar dit moet onjuist zijn, aangezien de soort nooit op dat eiland voorkwam.