Home

Buidelwolf

De buidelwolf, Thylacinus cynocephalus (Harris, 1808), of Tasmaanse tijger, was het grootste vleesetende buideldier in de tijd dat Europeanen naar Australië kwamen. Het dier leefde toen nog uitsluitend op Tasmanië. Tweeduizend jaar geleden verdween het reeds van het vasteland van Australië en van Nieuw-Guinea. Kangoeroes en wallabies vormden het hoofdvoedsel van de buidelwolf. Zijn schedel lijkt op het eerste gezicht verrassend sterk op die van een wolf.

Tasmaanse buidelwolf

Tasmanië

Toen de dingo in Australië kwam, kon de buidelwolf niet concurreren en verdween hij van het vasteland. Een grote populatie wist echter stand te houden op Tasmanië waar de dingo nooit gekomen is. Aan het begin van de 19de eeuw was de soort "algemeen in de afgelegen gebieden van de kolonie". Boeren maakten jacht op de buidelwolf, omdat hij zich tegoed zou doen aan schapen. Volgens officiële cijfers zijn er tussen 1888 en 1914 in totaal 2268 buidelwolven gedood. Het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. Toch is de sterke achteruitgang van de soort aan het begin van deze eeuw misschien niet uitsluitend aan de mens te wijten. In die tijd heerste er een epidemie onder de vleesetende buideldieren, die onder andere veel slachtoffers maakte onder de Tasmaanse duivel en de gevlekte buidelmarter. Waarschijnlijk had ook de buidelwolf te lijden van deze ziekte.

Laatste exemplaar?

De laatste buidelwolf werd in 1933 gevangen en stierf drie jaar later in de dierentuin van Hobart op Tasmanië. Sindsdien bleven toch berichten binnenkomen dat de soort nog gezien was, of dat men sporen van de buidelwolf had ontdekt. Deze waarnemingen konden echter niet bevestigd worden. Toen in 1966 een verlaten hol werd ontdekt, was er weer hoop dat er toch nog een aantal buidelwolven in leven was. Het was echter onmogelijk om te bepalen, hoe lang het hol al verlaten was. Pas in 1936 werd de buidelwolf in Tasmanië wettelijk beschermd. Tegenwoordig wordt over het algemeen aangenomen dat de soort toen al was uitgestorven.

Museumcollectie

In 1824 beschreef C.J. Temminck aan de hand van de opgezette buidelwolven in het toenmalige Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden de nieuwe soort Thylacinus harrisii Temminck, 1824. Deze verschilt echter niet van de al bekende buidelwolf en de naam wordt daarom niet meer gebruikt. In 1895 verkreeg het museum via de handelaar G.A. Frank een skelet. Daarnaast bezit het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis nog een schedel van de soort. Helaas is van deze exemplaren niet bekend, waar of wanneer ze verzameld zijn.