Home

Mapinguari politus

De opvallend grote vliegMapinguari politus (Wiedemann, 1828) behoort tot de familie Mydidae. Alle larven uit deze familie zijn roofdieren die leven van de larven van kevers. De Mapinguari -larven vinden hun prooi meestal in hout van dode bomen. Soms vinden ze ook keverlarven die als 'gasten' in mierennesten wonen. Dit gedrag is echter van weinig soorten precies beschreven; net zoals er verder van Mapinguari politus niet veel bekend is. Het etiket bij deze vlieg vermeldt alleen de naam ‘Calkoen’. Het is dan ook vrijwel zeker een onderdeel van de overheidsverzameling uit het Trippenhuis in Amsterdam, een verzameling die door Koning Lodewijk Napoleon was begonnen en later naar Amsterdam was overgebracht. Jan Calkoen hield er privé een verzameling op na, die na zijn dood op een veiling door de overheid werd gekocht en aan de verzameling in het Trippenhuis werd toegevoegd. Het etiket vermeldt niet waar het dier vandaan kwam. Bij de stichting van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (nu het Nationaal Natuurhistorisch Museum) in 1820 vormde deze Trippenhuis-collectie één van de belangrijke ingebrachte onderdelen. Daarnaast werd ook de stadhouderlijke collectie toegevoegd, die door de Fransen rond 1795 als oorlogsbuit naar Parijs werd afgevoerd, maar later door Prof. Brugmans weer werd losgepraat. Ook de privéverzameling van C. J. Temminck, die vooral uit vogels bestond, en de collectie van de Leidse universiteit, kwamen in het museum terecht.

A. 't Hooft
Mapinguari politus.

Blijkbaar erg zeldzaam

De Duitse insectendeskundige Wiedemann, die de soort in 1828 als Mydas politus beschreef, kreeg dit exemplaar vermoedelijk onder ogen door bemiddeling van Jakob Johann Hagenbach, een Zwitser, die van 1823 tot 1825 als conservator aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie was verbonden. Hagenbach had veel gereisd en kende Wiedemann persoonlijk. Zo kwam een aantal interessante exemplaren bij hem terecht. De exemplaren die hij vanuit Leiden ontving beschreef hij in twee delen over niet-Europese vliegen ('Aussereuropäische Zweiflügelige Insekten'), die in 1828 en 1830 verschenen. Mydas politus komt voor in het eerste deel. De geografische herkomst van het dier kon pas later worden achterhaald. Men had al wel het vermoeden dat het dier uit Suriname zou komen, omdat Calkoen daar ook veel andere aanwinsten had verworven. Zekerheid kreeg men pas toen in 1974, - dus bijna 150 jaar later - in Brazilië een tweede exemplaar werd gevonden. Het was net als het exemplaar in Leiden een wijfje. Het eerste mannetje werd pas in 1989 gevonden, en tot nu toe is het bij die drie exemplaren gebleven. Het is blijkbaar een erg zeldzame vlieg.