Home

Pieter Cramer, de man van de vlinders

Een van de oudste boekwerken die geheel is gewijd aan de beschrijving en afbeelding van vlinders, is het werk van de Nederlander Pieter Cramer (1721-1776). In zijn vier bundels 'Uitlandsche Kapellen, voorkomende in de drie Waereld-Deelen Asia, Africa en America', beschrijft Cramer op meer dan 700 pagina's en 400 platen ruim 1600 uitheemse vlinders. De serie werd gepubliceerd tussen 1775 en 1782 in 33 afleveringen, ongetwijfeld vanwege de hoge prijs. Cramer zelf heeft alleen het verschijnen van de eerste acht afleveringen mogen beleven. De uitgave van de overige afleveringen, waarvan tekst en platen al grotendeels klaar waren, werd verzorgd door Cramers neef Anthony van Rensselaar. Een groot gedeelte van het vierde deel is door Caspar Stoll geschreven. Voor de meeste soorten was het de eerste gepubliceerde beschrijving. Het werk is dan ook van fundamentele betekenis voor de studie van exotische vlinders, vooral uit Oost-Azië en Zuid-Amerika.

© Naturalis
De afbeelding van Cramer (1777, pl. 168A) naar een exemplaar van Papilio aurelius uit de collectie van Baron H.W. Rengers.

Teloorgang en redding van cultureel erfgoed

Cramer behoorde tot de koopmanstand en was blijkbaar welgesteld, gezien de grote verzameling en de onbezoldigde tijd die hij aan het beschrijven van de vlinders besteedde. Vele vlinders beschreef hij overigens uit andere verzamelingen, wat hij nauwkeurig vermeldde. Helaas is van de meeste oude collecties weinig herkenbaars bewaard gebleven. Het materiaal is mogelijk verloren gegaan of het is door verkoop en veiling dermate versnipperd geraakt dat het moeilijk te traceren is. Dat is jammer, omdat aan de hand van de beschrijvingen en afbeeldingen van Cramer niet altijd te achterhalen is welke soort hij precies beschreef. Bestudering van het exemplaar zelf zou daar nog wel duidelijkheid in kunnen brengen. Maar er is nog hoop op verdere studie. Want een deel van de collectie kwam uiteindelijk in het Nationaal Natuurhistorisch Museum terecht. Zo kocht het museum in 1827 een deel van de collectie van Joan Raye Heer van Breukelenwaert, waarin zich ook door Cramer beschreven en afgebeelde vlinders bevonden.

A. 't Hooft
Het in Cramer (1777, pl. 168A) afgebeelde exemplaar van Papilio aurelius, zoals nu bewaard in de collectie van het Nationaal Natuurhistorisch Museum, dat het verwierf door aankoop van de collectie van Raye van Breukelenwaert, waarin het blijkbaar intussen beland was.

Een andere belangrijke verzamelaar in die tijd was Jan Calkoen. Deze overleed in 1813 en zijn verzameling werd door zijn weduwe in 1814 geveild. Het meeste materiaal werd gekocht door de directeur van het toenmalige 's Lands Kabinet van Natuurlijke Historie, Prof. Reinwardt. In 1820 werd deze collectie, samen met andere collecties, samengevoegd tot het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, de voorloper van het Nationaal Natuurhistorisch Museum. Zodoende kwam het merendeel van de Collectie Calkoen, met daarin ook materiaal dat door Cramer gebruikt was, in Leiden terecht. Ook Raye kocht materiaal uit de Collectie Calkoen, dat vervolgens in 1827 eveneens in het museum terecht kwam.

Opsporing verzocht

In de negentiende eeuw deed men nog niet aan uitgebreide etikettering. Hooguit werden vindplaats -meestal niet meer dan de naam van een land- en eigenaar van het moment, dus niet de verzamelaar genoemd. Een etiket "Calkoen, Suriname" of "Raye, China" zegt dus niets over oudere collecties, waarvan dit dier deel kan hebben uitgemaakt. Maar komt het exemplaar exact overeen met de afbeelding van Cramer en de vindplaats klopt ook, dan hebben we een eerste aanwijzing dat het om materiaal kan gaan dat door Cramer beschreven is. Door dit soort aanwijzingen te volgen en gebruik te maken van een door Calkoen zelf bijgehouden catalogus van zijn collectie is een aantal door Cramer voor het eerst beschreven exemplaren, de zogenoemde type-exemplaren opgespoord. Ze behoren tot de oudste insecten in de collectie van het Nationaal Natuurhistorisch Museum. Ze behoren ook tot de oudste beschreven vlindersoorten en staan daarmee aan de basis van de vlinderkunde.