Home

Linaeschna polli

Op een schaal van zeldzaamheid van dieren worden de uitersten gevormd door aan de ene kant soorten als de spreeuw, 'te algemeen voor woorden'. Aan de andere kant staan soorten waarvan soms niet meer dan één exemplaar bekend is. Dat is bij voorbeeld het geval met de libellensoort Linaeschna polli Martin, 1909, een heel verre verwant van onze blauwe glazenmaker Aeshna cyanea. Het Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden bewaart het enig bekende exemplaar van deze soort. De vindplaats is slechts beschreven als "N. Borneo". Het is ook niet goed bekend hoe dit dier in de collectie van het museum is gekomen. Het zou afkomstig zijn uit de privécollectie van Dr H.W. van der Weele, een entomoloog die korte tijd als conservator aan het voormalige Rijksmuseum van Natuurlijke Historie verbonden is geweest. Maar de aanwezigheid van zo'n zeldzame soort in de collectie van Van der Weele zou op z'n minst opmerkelijk zijn, omdat zijn verzameling hooguit enkele honderden exemplaren uit het toenmalige Nederlands-Indië moet hebben omvat.

A. 't Hooft
Linaeschna polli Martin, 1909

Alle latere pogingen om deze soort te vangen of zelfs alleen maar waar te nemen, zijn tot heden tevergeefs geweest. Dat valt om meer dan één reden te betreuren. Immers, als een soort moet voortbestaan is een redelijke populatie op tenminste één plaats wel het minste. Maar ook voor onderzoek is het niet goed als er maar één exemplaar voor studie beschikbaar is. Wie gaat zo'n exemplaar nu in stukken snijden voor anotomisch onderzoek? Zelfs het kleinste ongelukje met zo'n zeldzaam museumobject betekent meteen een rampzalige gebeurtenis.

In het geval van Linaeschna polli is het nog eens extra jammer omdat de soort zo'n bijzondere plaats in zijn familie heeft. De Duitse expert op het gebied van de verwantschap van libellen, Prof. Dr. Günther Peters, directeur van het Museum für Naturkunde van de Humboldt-Universität te Berlijn, stelt zelfs dat deze soort 'de meest primitieve vorm van alle glazenmakers' moet zijn.