Home

Reuzensalamander

De Japanse reuzensalamanderAndrias japonicus (Temminck, 1836) en de Chinese reuzensalamander Andrias davidianus (Blanchard, 1871) zijn de enige nog levende vertegenwoordigers van het genusAndrias. Er is ook nog een fossiele soort bekend: Andrias scheuchzeri, die in eerste instantie als Homo diluvii testis werd beschreven: de mens die de zondvloed heeft aanschouwd. Pas in het begin van de 19de eeuw werd duidelijk dat deze resten, die aangezien werden voor het bekken van een kind, in werkelijkheid sterk leken op de schedel van een reuzensalamander.

A. 't Hooft
Japanse reuzensalamander.

Kannibaal

De eerste reuzensalamander die Europa levend bereikte, werd door Philipp Franz von Siebold in 1830 uit Japan meegebracht. Hij vertrok met twee levende dieren uit Japan. Maar in de buurt van de Canarische Eilanden at het grootste dier het kleinste op. Het dier dat wèl levend in Leiden arriveerde, bleef daar nog 10 jaar in het toenmalige Rijksmuseum van Natuurlijke Historie en werd toen in bruikleen afgestaan aan de Amsterdamse dierentuin Artis. Daar leefde het nog tot 1881. Wat er daarna precies is gebeurd, is niet duidelijk, maar kennelijk is het dier verloren gegaan. Het bevindt zich in ieder geval niet in de collectie in Amsterdam en ook niet in de collectie in Leiden. Waarschijnlijk was het dit exemplaar dat model stond voor de afbeelding van een reuzensalamander in de "Fauna Japonica". Door slijtage in gevangenschap miste het dier de buitenste tenen.

In de collectie van het Nationaal Natuurhistorisch Museum bevinden zich momenteel nog enkele van de zogeheten type-exemplaren. Voor zover valt na te gaan, zijn andere door von Siebold meegebrachte exemplaren door het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie indertijd geruild met de musea in Londen en Parijs.

Levenslang larven

Japanse reuzensalamanders behoren tot een familie van salamanders die hun leven lang in een larvaal stadium verkeren. Ze hebben geen oogleden en behouden de larvale tanden, maar kunnen zich wel voortplanten. Maximaal kunnen ze anderhalve meter lang worden en ruim 10 kilo zwaar. Ze leven op twee- tot achthonderd meter hoogte in zuurstofrijke en snelstromende bergbeken op sommige Japanse eilanden. Ze zijn vooral 's nachts actief en voeden zich met vissen, kikkers, kreeften, wormen en insekten.

Mannetje bewaakt snoer van eieren

De eieren worden in lange snoeren gelegd. Na de bevruchting wikkelt het mannetje de eisnoeren om zijn kop en bewaakt de eieren totdat acht tot tien weken later de larven uitkomen. Pas als de jongen na drie jaar een lengte van ruim twintig centimeter hebben bereikt, voltrekt zich de onvolkomen gedaanteverwisseling: de uitwendige kieuwen verdwijnen, het lichaam wordt platter en de dieren worden bodembewoners in de kreken. Vanaf dat moment ademen ze via longen en moeten ze regelmatig aan de oppervlakte komen.

In Japan worden deze dieren gegeten. Het vlees zou zeer smakelijk zijn. Ook worden ze als medicijn gebruikt. Een naaste verwant is de Noord-Amerikaanse modderduivel, Cryptobranchus alleganiensis (Daudin, 1803) die in het oosten van de Verenigde Staten leeft.