Home

Wat is biodiversiteit?

Biodiversiteit verwijst naar de grote vormenrijkdom van het leven op aarde. We kunnen dat leven op verschillende niveaus bestuderen. Zo kunnen we kijken naar de verscheidenheid aan soorten, maar bijvoorbeeld ook aan leefgebieden. Hoe meer soorten of hoe groter de variatie in biotopen, des te groter is de biodiversiteit.

Diversiteit op moleculair niveau

Bij biodiversiteit op moleculair niveau hebben we het over de genetische variatie binnen ťťn enkele soort. Variatie is van groot belang voor het overleven van de soort. Ze vormt het 'ruwe materiaal' voor de evolutie. Bij veel van onze huidige cultuurgewassen is die variatie, door eeuwenlange selectie van slechts enkele vormen, sterk afgenomen. Zo kennen tarwe en aardappels bijvoorbeeld een geringe genetische variatie. Hetzelfde geldt voor onze veestapel. Door gebruik te maken van moderne voortplantingstechnieken als Kunstmatige Inseminatie (KI) kan ťťn enkele stier tegenwoordig de vader zijn van duizenden kalfjes over de hele wereld.Genetisch zijn al die kalfjes voor de helft identiek aan elkaar. Door de kleine genetische diversiteit zijn deze gecultiveerde soorten vatbaar voor bepaalde ziekten waar hun wilde voorouders geen last van hadden.

Diversiteit op soortniveau en hoger

Meestal bedoelen we met biodiversiteit de soortenrijkdom. De fauna van een loofbos is over het algemeen meer divers (telt meer soorten) dan die van een naaldbos; de fauna van een koraalrif kent een grotere diversiteit dan die in de Noordzee; de flora van ItaliŽ is rijker aan soorten dan die van Nederland, enzovoort. Vaak wegen we ook het verschil tussen de soorten mee. Zo beschouwen we een gebied met een muis en een rat (beide zoogdieren) als minder divers dan een gebied met een muis en een mus (zoogdier en vogel). In feite hebben we dan te maken met diversiteit op hoger taxonomisch niveau. Heel verschillende soorten worden meestal belangrijker gevonden dan alleen maar heel veel soorten.

Diversiteit op ecosysteemniveau en hoger

Bij de diversiteit op ecosysteemniveau kijken we naar het aantal en de soort betrekkingen tussen organismen binnen een levensgemeenschap. Betrekken we daarin ook niet-levende (abiotische) factoren, zoals bodem, temperatuur en vochtigheid, dan spreken we over de diversiteit van een ecosysteem. Er is uiteraard een verband met soortenrijkdom: waar meer soorten zijn, bestaan meer betrekkingen tussen de soorten. De Afrikaanse savanne is op dit niveau dan ook meer divers dan de Lapse toendra. Weer een stapje hoger kunnen we kijken naar de diversiteit in ecosystemen. Helemaal bovenaan, na de aarde als geheel, staan de twee ecosystemen 'land' en 'zee'.

Diversiteit in eigenschappen

Bij diversiteit aan biologische eigenschappen moeten we denken aan eigenschappen als vliegvermogen of vermogen om zaden te verspreiden. Hoe groter de diversiteit in zulke eigenschappen, hoe groter de kans dat de betreffende soort een antwoord heeft op veranderende milieuomstandigheden. De reuzenalk bijvoorbeeld kon uitstekend zwemmen, maar niet vliegen. Hij was voor de mens, die hem als voedsel meenam op lange boottochten, een gemakkelijke prooi. Dat leidde tot uitroeiing. Andere alken, die wel konden vliegen, liepen dat risico veel minder. Evenzo is een flora of fauna met soorten met sterk uiteenlopende kenmerken minder kwetsbaar. Als het milieu verandert, laat een enkele soort het misschien afweten, maar het merendeel redt het wel.