Home

Populaties, rassen, variėteiten en cultivars

Een soort is te herkennen aan bepaalde eigenschappen, die alleen bij die soort voorkomen. Toch zien niet alle exemplaren van een soort er exact hetzelfde uit. Er bestaat variatie, die op verschillende niveaus kan optreden.

Variaties op één thema

Elk individu is uniek. Zelfs genetisch identieke individuen kunnen uiterlijk verschillend zijn. Dat komt doordat het milieu invloed heeft op de vertaling van erfelijke eigenschappen naar het uiterlijk. Lichaamslengte is hiervan een goed voorbeeld. Onze genen bepalen wel de grenzen waarbinnen we kunnen groeien, maar niet de lengte die we exact bereiken. Die is afhankelijk van uiterlijke factoren als temperatuur en voedselaanbod. Soms is dus niet duidelijk of een bepaald kenmerk genetisch bepaald is, of het resultaat van uitwendige factoren. Daar kunnen we pas achter komen door planten en dieren te kweken onder vastgestelde omstandigheden. Als er dan nog steeds variatie optreedt, is die genetisch bepaald. Genetische variėteiten zijn onder andere van belang in de bloementeelt. Het geeft kwekers de mogelijkheid bijvoorbeeld rozen op bloemkleur te selecteren. Zulke gecultiveerde variėteiten heten kortweg cultivars. Ten onrechte worden cultivars wel eens met de term 'soort' aangeduid.

Populaties

De individuen van één soort komen gewoonlijk niet willekeurig verspreid voor. Ze leven in lokale populaties, die ruimtelijk min of meer van elkaar gescheiden zijn. Zo'n scheiding kan voor de ene soort onbeduidend zijn, voor de andere onoverkomelijk. Door een steeds dichtere bebouwing raken steeds meer natuurlijke populaties opgesplitst. Het gevaar bestaat dat deze zo klein worden dat ze een calamiteit als een extra strenge winter of een extra droge zomer niet overleven. In de natuurbescherming wordt tegenwoordig dan ook veel moeite gedaan om verbindingswegen tussen populaties aan te leggen. Die variėren van stroken met bomen en struiken door het polderlandschap tot viaducten over snelwegen. Een biologische populatie is een voortplantingsgemeenschap. In het gewone taalgebruik wordt 'populatie' ook wel gebruikt voor een groep individuen met een bepaald kenmerk, zonder dat het om een min of meer gesloten voortplantingspopulatie gaat. Zo spreekt men wel van 'grotestadspopulatie'.

Rassen en ondersoorten

In de biologie is een ras een groep individuen met een bepaalde genetische eigenschap. Men springt echter nogal onzorgvuldig met deze term om. Vaak onderscheidt men rassen zonder dat er sprake is van genetische verschillen. Zijn de kenmerken erfelijk en heeft de groep met deze kenmerken een eigen verspreidingsgebied, dan kan men beter spreken van 'ondersoort' (subspecies). Een ondersoort zou een eigen soort zijn, als hij niet op plaatsen waar hij andere subspecies van dezelfde soort ontmoet, met deze zou hybridiseren. Omdat de term 'ras' niet duidelijk gedefinieerd is, er verschillende dingen onder verstaan worden en er dus gemakkelijk misverstand over ontstaan kan, wordt hij in de biologie zo veel mogelijk vermeden. In het dagelijks spraakgebruik wordt 'ras' gebruikt om binnen een soort elke groep individuen met eigen kenmerken aan te duiden. Zo spreken wij van appelrassen en hondenrassen, die beide in kwekersterminologie cultivars zijn.