Home

Reconstructie verspreidingsgeschiedenis

De verspreiding van een organisme is het resultaat van een proces dat duizenden of zelfs miljoenen jaren kan omvatten. Soms zijn er stille getuigen van vroegere verspreidingen in de vorm van fossielen, meestal echter tasten we in het duister. Of toch niet?
Gefossiliseerde verspreiding

Een fossiel vertelt ons niet alleen wanneer de betreffende soort (en daarmee het geslacht en dus ook de familie) leefde, maar ook waar. Dat kan op een heel andere plaats zijn dan tegenwoordig. Zo leefden er in Nederland ongeveer 300.000 jaar geleden nog nijlpaarden, terwijl deze dieren nu slechts in Afrika voorkomen. De meest treffende voorbeelden van veranderingen in verspreiding vinden we bij fossiele insecten. Vooral in Engeland, maar ook in Nederland en elders in Europa, als ook in Noord-Amerika is veel onderzoek gedaan aan fossiele insecten uit het Pleistoceen, vooral de laatste 100.000 jaar. Het kevertje Helophorus mongoliensis leefde 40.000 jaar geleden in Engeland, maar komt tegenwoordig alleen in Aziatische gebergten voor. Een ander kevertje, Micropeplus hoogendoorni, is nu typisch Siberisch, maar kwam twee miljoen jaar geleden voor in Alaska en 500.000 jaar geleden in Engeland.

Afgeleide verspreiding

Gedurende de laatste miljoen jaar ging het Noordelijk Halfrond gebukt onder verschillende ijstijden. Slechts 10.000 jaar geleden was Nederland nog bedekt met toendra. Vrijwel alle huidige soorten planten en dieren in Nederland dateren van na die tijd. De flora en fauna die tijdens de hoogtepunten van de ijstijden Midden-Europa bewoonden, trokken zich bij het oplopen van de temperatuur zowel terug naar het noorden, als ook de bergen in. Waar de bergen hoog genoeg waren om aan hun koudewensen tegemoet te komen, konden ze in leven blijven. Zodoende ontstond een verspreidingspatroon van soorten die in Noord-Europa en in de bergen van Centraal- en Zuid-Europa voorkomen. Omgekeerd, vind je een soort met een dergelijke verspreiding, dan kun je er uit afleiden dat hij tijdens de ijstijden een grote, aaneengesloten verspreiding had ten zuiden van het landijs.

Verder terug in de tijd

De scheiding van planten en dieren na de ijstijden in populaties in het noorden en in zuidelijker gelegen bergen is meestal te recent om tot verschillen tussen de thans geÔsoleerde populaties te hebben geleid. Anders ligt het met populaties die veel langer geleden uiteengevallen zijn. Treffende voorbeelden vinden we in de zuidelijke continenten, die 80-100 miljoen jaar geleden nog samenhingen, maar nu ver uiteen liggen: Zuid-Amerika, Afrika, India, AustraliŽ en Antarctica (tezamen Gondwana geheten). We vinden hier een patroon van geslachten of families die beperkt zijn tot twee of meer van deze continenten. Voorbeelden zijn de protea's (Zuid-Afrika: suikerbossies), die we met name aantreffen in Afrika en AustraliŽ, en de loopvogels (rhea, struisvogel, emoe, kasuaris, kiwi), die recent of fossiel op de meeste delen van Gondwana worden gevonden.

Verspreiding en veranderingspatronen

Ook al weten we dat bijvoorbeeld Zuid-Amerika, Afrika en AustraliŽ ooit met elkaar in contact stonden, dan weten we nog niet in welke volgorde ze van elkaar verwijderd zijn geraakt. Geologische gegevens kunnen hierbij natuurlijk helpen, maar ook biologische gegevens. Immers, als Zuid-Amerika en AustraliŽ langer met elkaar dan elk van beide met Afrika in contact zijn geweest, dan kunnen we verwachten dat de soorten van Zuid-Amerika en AustraliŽ meer met elkaar verwant zijn dan met soorten uit Afrika. Zulke verwantschappen bepalen we door fylogenetisch of cladistisch onderzoek. In de zogenaamde fylogenetische biogeografie worden (fylogenetische) verwantschappen van soorten vergeleken met geologische verwantschappen van gebieden.