Home

Wordt in de loop van de evolutie alles groter?

Het idee dat in de loop van de evolutie alles groter wordt, ontstond in de 19de eeuw. De laatste tijd beginnen wetenschappers te twijfelen of dat werkelijk wel zo is.

Edward Drinker Cope was ťťn van de vooraanstaande paleontologen uit het eind van de vorige eeuw. Hij is vooral bekend geworden door zijn rivaliteit met Othniel Charles Marsh. De twee heren probeerden elkaar de loef af te steken bij het vinden van zoveel mogelijk dinosauriŽrs. Dit leidde letterlijk tot wild-westtaferelen, aangezien de vindplaatsen soms lagen in gebieden waar Indianen nog de baas waren.

Cope is daarnaast ook nog bekend geworden door zijn stelling dat alles in de evolutie in grootte toeneemt, de 'wetmatigheid van Cope'. Deze stelling is puur gebaseerd op ervaring. Cope had gezien dat in de diergroepen waarvan hij fossielen bestudeerde, de soorten de neiging hadden steeds groter te worden. Ook latere paleontologen meenden dit verschijnsel in hun materiaal terug te zien. Een verklaring daarvoor bleek echter moeilijk te geven.

Is het wel zo?

Maar klopt die wetmatigheid van Cope wel? Misschien vallen evolutielijnen waarin soorten steeds groter worden, gewoon meer op. Als Cope en later ook anderen juist naar dťze evolutielijnen keken, dan zouden ze wel eens het verkeerde idee gekregen kunnen hebben. Het zou dus eerder een psychologisch effect kunnen zijn.

Zo wordt de evolutie van het paard vaak als schoolvoorbeeld voor een evolutielijn aangehaald. Inderdaad zien we daarin dat de elkaar opeenvolgende soorten steeds groter worden. Maar als we zouden kijken naar de tapir, een dier dat net als het paard tot de onevenhoevigen behoort, dan zien we die vergroting niet terug. Toch heeft het lang geduurd, voordat wetenschappers keken of Cope wel gelijk had.

Krijtslakken

In 1997 verscheen in het gezaghebbende blad Nature een artikel van een aantal Amerikaanse paleontologen die bekeken of soorten nu echt in de loop van de evolutie groter worden. Om de wetmatigheid van Cope te onderzoeken hadden ze uit een bepaalde periode van het Krijt (140-65 miljoen jaar geleden) alle evolutielijnen van slakken en tweekleppigen bekeken. Hun conclusie was, dat er net zoveel lijnen waren die vergroting lieten zien, als lijnen waarin de soorten kleiner werden. In beide gevallen ging het om een kwart van de onderzochte groepen. De overgebleven slakken, de helft dus, bleken geen noemenswaardige vergroting of verkleining te laten zien.

Het onderzoek betekende een gevoelige klap voor de wetmatigheid van Cope. Toch is het opvallend dat paleontologen deze zo lang voor zoete koek hebben geslikt. Is het wel alleen een psychologisch effect? Om dat met zekerheid te beantwoorden, is meer onderzoek nodig zoals de studie aan de Krijtfossielen.

Een mogelijke verklaring

Een mogelijke verklaring voor het groter worden van lijnen ligt in het feit dat er op aarde veel meer kleine soorten zijn dan grote. Bij de zoogdieren bijvoorbeeld, wordt al meer dan 80 procent van alle soorten gevormd door kleine dieren zoals knaagdieren, vleermuizen en insecteneters. En ook binnen de knaagdieren zijn er veel meer muizen dan bijvoorbeeld bevers en stekelvarkens. Dat geldt ook voor andere diergroepen.

De kans dat een soort in de loop van de tijd groter wordt, is daardoor groter dan dat hij kleiner wordt. We weten echter dat sommige grote soorten in de loop van de evolutie verkleind zijn, zoals de dwergolifanten van de Middellandse Zee en sommige Indonesische eilanden. Het is dan ook de vraag, of de wetmatigheid van Cope nog lang stand zal houden.