Archaeopteryx, de eerste vogel |
Eerste vondsten
In 1860 werd in de kalksteengroeves bij het Duitse Solnhofen een afdruk van een veer gevonden. Het fossiel kreeg de naam Archaeopteryx lithographica (oude veer uit de steendruk). De jurassische kalk uit de groeves werd onder andere gewonnen voor de steendruk, een techniek waarmee in de 19de eeuw platen werden gedrukt. Een jaar na de vondst van de veer werd een compleet skelet van Archaeopteryx gevonden. Dat skelet vertoonde een aantal typische reptielenkenmerken. Zo had het bijvoorbeeld geen snavel, maar een bek met tanden. Maar het dier had ook veren en is dan ook een vogel.

Momenteel zijn er zeven min of meer complete skeletten van deze oervogel bekend. Eén daarvan ligt in Nederland en is te zien in het Teylers Museum in Haarlem. De ouderdom van de fossielen van Solnhofen is 140 miljoen jaar.
Half reptiel, half vogel
De vondst van Archaeopteryx kwam wetenschappelijk gezien op een bijzonder moment. In 1859 had Darwin zijn evolutietheorie gepubliceerd. Volgens die theorie zouden ooit tussenvormen tussen de verschillende diergroepen geleefd moeten hebben. De oervogel is een dergelijke tussenvorm. Voor de voorstanders van de evolutietheorie kwam deze vondst dus precies op tijd. Tegenstanders probeerden de vondst onderuit te halen. Er is regelmatig gesuggereerd dat Archaeopteryx een vervalsing is. Men zou het skelet van een kleine dinosauriër verfraaid hebben, door er veren bij te graveren. Inmiddels is zeker dat de fossiele oervogel echt is.
Typische vogelkenmerken van de oervogel zijn de veren en de duim die, net als bij ons, tegenover de andere vingers kan worden gezet. Reptielenkenmerken zijn onder andere de bek met tanden, de niet vergroeide lendenwervels en de vorm van de hersenen. Uit de vele reptielenkenmerken blijkt dat Archaeopteryx, en dus ook de moderne vogels, afstamt van de dinosauriërs.
Een armzalige fladderaar
In de loop van de evolutie hebben heel verschillende diergroepen het luchtruim gekozen. Denk maar aan insecten, vleermuizen, vliegende sauriërs en natuurlijk vogels. Er is veel geschreven over de vraag, of de oervogel wel kon vliegen. En, als hij al kon vliegen, hoe hij dat dan deed. Uit onderzoek aan recente vogels weten we dat de beste vliegers zeer asymmetrische veren hebben. De veren van de oervogel zijn maar licht asymmetrisch. Ze zijn vergelijkbaar met recente vogels die de vliegkunst niet al te best beheersen. Ook het spierstelsel van Archaeopteryx duidt erop, dat het geen goede vlieger was. De gewrichten konden echter alle bewegingen uitvoeren die voor het vliegen nodig zijn. Waarschijnlijk was de oervogel een armzalige fladderaar.
Rennen of zweven
Er zijn twee theorieën over het ontstaan van de vlucht van vogels. Vroeger ging met ervan uit dat vogels eerst zweefvluchten maakten. Er is tegenwoordig een groot aantal dieren dat niet echt kan vliegen, maar wel van boom tot boom kan zweven. Zo zijn er vliegende eekhoorns, vliegende boomkikkers, vliegende draakjes en er bestaat zelfs een zwevende slang. Door hun vlieghuid open te vouwen, vormen ze een soort parachute waarmee ze tussen bomen heen en weer kunnen zweven. Zo zouden vogels ook ooit begonnen kunnen zijn.
De andere theorie gaat ervan uit, dat vogels van de grond opstegen. Tijdens de jacht op insecten gingen vogels steeds hogere sprongen maken. Door te fladderen konden ze steeds langer in de lucht blijven, totdat ze uiteindelijk echt konden vliegen. Tegenwoordig is deze laatste theorie het meest populair, alhoewel het laatste woord hierover nog zeker niet gezegd is.