Communicatie |
Hoe vertel ik het mijn partner
Bij alle organismen met seksuele voortplanting moeten de mannelijke en vrouwelijke individuen elkaar kunnen vinden. Een uitzondering vormen organismen die zichzelf niet kunnen verplaatsen en de bevruchting aan het toeval moeten overlaten (denk aan planten met windbestuiving of insectenbestuiving). De partners moeten elkaar dus duidelijk maken welke bedoelingen zij hebben. Die worden letterlijk in kleuren en geuren verteld. Het achterwerk van een vrouwtjesbaviaan is in haar vruchtbare periode sterk opgezwollen en knalrood. Het vrouwtje van onder meer de zijdevlinder zendt een geursignaal af (feromonen) dat het mannetje tot op kilometers afstand kan waarnemen. Sprinkhanen en krekels gebruiken geluid als communicatiemiddel. Zelfs eencellige dieren, zoals het pantoffeldiertje, kunnen elkaar duidelijk maken dat ze willen samensmelten, via de tastzin en waarschijnlijk langs chemische weg. De hele communicatie rond de paring is vaak geformaliseerd in een aantal vaste handelingen, de 'balts'.
Hoe vertel ik het mijn soortgenoten
Communicatie tussen soortgenoten is uiteraard een voorwaarde voor sociaal levende dieren, of dat nu apen zijn of papegaaien, mensen of mieren. Van alles wordt er gebruikt om de boodschap over te brengen: geuren, geluiden, lichaamshouding, gebaren, gelaatsuitdrukking, aanraking en smaakzin. Iedere bezitter van een hond weet hoe goed een hond kan duidelijk maken wat hij wil. Dieren die tenminste een deel van hun sociale leven in een nest in het donker doorbrengen, zoals mieren en bijen, kunnen hun soortgenoten niet zien, hooguit voelen, ruiken en proeven. Daar maken ze dan ook uitgebreid gebruik van, ook buiten het nest trouwens. Kijk maar eens hoe mieren elkaar steeds betasten. Daarbij wordt voortdurend langs chemische weg informatie uitgewisseld, bijvoorbeeld over de toestand van het nest, of er een koningin aanwezig is, enzovoort.
Hoe vertel ik het mijn vijanden
Niet alleen de sociale dieren communiceren met soortgenoten. Vele niet-sociale dieren kennen bijvoorbeeld territoriumgedrag. Deze communicatie berust vaak op visuele prikkels (imponeergedrag), soms gevolgd door handtastelijkheden. Denk aan vechtende mannetjes van het edelhert. De communicatie kan ook chemisch zijn, via geurstoffen. Vele antilopensoorten bijvoorbeeld merken hun territorium door een geurstof uit een klier vlak voor de ogen op takjes te smeren. Ook roofdieren en prooidieren communiceren met elkaar. Een potentiële prooi kan bijvoorbeeld het signaal afgeven dat hij gevaarlijk of giftig is, of vies smaakt. Dat signaal kan ook vals zijn. We spreken dan van mimicry. Een ander vals signaal is camouflage. De prooi zegt dan eigenlijk: ik ben slechts een stukje van de omgeving. Ook een roofdier zendt signalen uit. Aan zijn manier van lopen kan een prooidier zien wat de rover van plan is.