Home

Het mechanisme achter het ontstaan van soorten

De evolutietheorie van Darwin was gericht op een verklaring voor het ontstaan van nieuwe soorten. Op zich leidt het ontstaan van nieuwe soorten niet tot een systeem waarbij we soorten kunnen indelen in geslachten, families, enzovoort. Dit is alleen maar mogelijk doordat er grenzen zijn aan de veranderingsmogelijkheden van kenmerken.
Alles in beweging

Er treden voortdurend kleine wijzigingen (mutaties) op in erfelijke eigenschappen. Deze zorgen ervoor dat er een genetische variatie binnen de populatie in stand wordt gehouden. Variatie is het begin van alle evolutie. Het is het aangrijpingspunt voor selectie. In de populatie worden nieuwe kenmerken uitgeprobeerd en vinden aanpassingen plaats aan veranderende omstandigheden in het milieu. Zo kan een soort in principe over lange perioden, over miljoenen jaren, geleidelijk veranderen zonder dat de soort zich splitst in nieuwe soorten. Deze geleidelijke verandering noemen we anagenese. Raken populaties van een soort van elkaar gescheiden, dan gaat de anagenese in de deelpopulaties door. Uiteindelijk kunnen de verschillen zo groot worden, dat de deelpopulaties elkaar niet meer als soortgenoten herkennen: er zijn meerdere soorten ontstaan. Dit proces noemen we cladogenese. Evolutie is dus een combinatie van anagenese en cladogenese.

Ongericht, maar wel gestuurd

Mutaties zijn ongericht. Zonder sturende factoren zou het resultaat ook ongericht zijn, een veelheid van soorten waarin geen lijn valt te ontdekken. In werkelijkheid kunnen we bepaalde lijnen herkennen, bijvoorbeeld naar de zoogdieren toe, daarbinnen naar de hoefdieren, daarbinnen naar de paarden, enzovoort. Evolutie houdt dus niet op bij het soortniveau, er zijn factoren die maken dat we de soorten in steeds grotere eenheden, van geslachten tot fyla, kunnen indelen. De schijnbare doelgerichtheid is een rechtstreeks gevolg van natuurlijke selectie. Mutaties kunnen alleen 'overleven' (doorgegeven worden aan het nageslacht) als ze niet tot de voortijdige dood van de drager leiden. Veranderingen zijn dus niet in elke willekeurige richting mogelijk. De selectie leidt onherroepelijk tot een verder aanpassing. Maar er is meer.

De rode draad

Het milieu stuurt, maar dat kan de ene keer naar links zijn en de andere keer naar rechts. Deze sturing hoeft dus niet te leiden tot een lijn in de evolutie. De lijn ontstaat doordat een eigenschap niet alle kanten op kan veranderen. Een voet met vijf tenen kan zich wel tot een ťťn- of tweetenige hoef ontwikkelen, maar van een hoef naar een grijpvoet is een onmogelijke ontwikkeling. Zo zijn er vele veranderingen die, eenmaal in gang gezet, geen weg terug meer toelaten. Het kan een genetische onmogelijkheid zijn. Maar ook al zou het genetisch mogelijk zijn, dan nog kan een kenmerk dat een bepaalde functie vervult, alleen maar zodanig veranderen dat die functie beter wordt uitgevoerd. Anders zou de verandering immers weer verdwijnen door natuurlijke selectie. Daardoor lijkt de evolutie vaak in een rechte lijn op een bepaald doel af te gaan.

Evolutie: de rechtlijnige opportunist

Men heeft deze rechtlijnige evolutie wel orthogenese genoemd. Paradoxaal genoeg kan een dergelijke ontwikkeling tot een dermate grote specialisatie leiden, dat de overlevingskansen op de langere termijn verminderen. Denk aan het uitgestorven reuzenhert. Het gewei van dit dier werd op een gegeven moment zo groot, dat het nadeel groter werd dan het voordeel. Specialisatie is altijd een nadeel als de milieufactor waarop is gespecialiseerd, verdwijnt. Toen de hooggespecialiseerde dinosauriŽrs van de aardbodem verdwenen, werd hun plaats ingenomen door de nog weinig gespecialiseerde zoogdieren. Deze specialiseerden zich vervolgens in allerlei richtingen, waarvan talloze takken weer uitstierven. Dit geeft aan dat evolutie opportunistisch is en niet streeft naar een verder liggend doel.