Home

Adaptatie

Adaptatie of aanpassing is één van de kernpunten van Darwins evolutietheorie. Dat planten en dieren zijn aangepast aan de omstandigheden waaronder ze leven, zien we overal om ons heen. Aanpassingen treden op verschillende niveaus op, bij individuen, populaties en soorten.
Aangepaste individuen

Een individu kan zijn eigen erfelijke eigenschappen niet veranderen. Binnen de grenzen van zijn genen kan hij echter wel degelijk keuzen maken. Deze keuzen kunnen van directe invloed zijn op het voortbestaan. Hoe nauwer de grenzen zijn die de erfelijkheid stelt, des te beperkter zijn de mogelijke keuzen. Heeft het individu weinig keuzemogelijkheden, dan kan hij zich moeilijk aan veranderende omstandigheden aanpassen. Dit is van directe invloed op zijn voortbestaan. Zijn de door de genen bepaalde grenzen van mogelijke aanpassing erg nauw, dan is de overlevingskans van het individu gering. Dergelijke aanpassingen zijn zo gewoon dat ze ons nauwelijks opvallen. We zijn er zelf constant mee bezig. We zien het bijvoorbeeld ook in de manier waarop veel vogels zich hebben aangepast aan de omgeving van de mens, zoals zwaluwen die onder de dakgoot nestelen.

Populaties en soorten

Darwin had het bij adaptatie niet over individuen, maar over soorten. Het gaat immers niet om het overleven van het individu, maar om het overleven van de soort. Het gaat uiteindelijk om de aanpassing van de genen zelf. Dat gebeurt door uit de bestaande variatie in erfelijke eigenschappen die varianten te selecteren die het beste zijn aangepast. Eigenlijk gebeurt het net andersom: de varianten (lees: individuen) die niet goed zijn aangepast, zullen zich minder goed voortplanten. Darwin noemde dit natuurlijke selectie. Omdat omstandigheden nogal eens veranderen, is het voor een populatie van belang steeds voldoende variatie te hebben om uit te kunnen selecteren. Evenzo is het voor een soort van belang een zekere variatie in populaties te hebben. Vallen er een paar uit, dan blijft de soort toch nog voortbestaan.

Wij zijn één brok aanpassing

Sommige adaptaties zijn zeer in het oog springend, vooral als ze met een bepaalde leefwijze te maken hebben. Voorbeelden zijn vleugels, graafpoten en kieuwen. Maar in feite zit elk organisme boordevol aanpassingen. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat elk gen een aanpassing is. De genen moeten immers op elkaar zijn afgestemd om het organisme goed te laten functioneren. Een aanpassing moeten we altijd zien tegen de achtergrond van de functie. Vleugels zijn een mooie aanpassing, maar als je ze niet meer nodig hebt, zijn ze een last. Dan kan reductie of verlies van vleugels, zoals bij sommige vogels op eilanden, een betere aanpassing zijn.

Adaptieve radiatie

Soms gebeurt het dat een individu of een populatie in een 'leeg gebied' terechtkomt. Leeg betekent hier dat er geen andere organismen met vergelijkbare leefwijze aanwezig zijn. Zo'n 'gebied' kan een eiland zijn dat uit zee is opgerezen, maar ook een groep voedselplanten dat nog niet door andere planteneters is ontdekt. Er is nog geen concurrentie en dus geen selectiedruk. Daardoor kunnen veel meer varianten een plaatsje vinden en in leven blijven. Er vindt als het ware een bevolkingsexplosie plaats, waarbij elke plek wordt bezet door een geschikte soortvariant. Als de populatie groeit neemt vervolgens de selectiedruk weer toe. Het resultaat is dat de verschillen tussen de varianten groter worden. Elke variant ontwikkelt zijn eigen aanpassing. Dit verschijnsel noemen we adaptieve radiatie. Beroemde voorbeelden van adaptieve radiatie zijn de darwinvinken op de Galapagos Eilanden en de cichliden in het Victoriameer.