Home

Eugène Dubois, de man die de rechtopgaande aapmens vond

Nadat Charles Darwin in 1859 zijn evolutietheorie had gepubliceerd, laaide de discussie rondom de afstamming van de mens in alle hevigheid op. Een Nederlands wetenschapper, Eugène Dubois, ging op zoek naar tastbare bewijzen. Op Java vond hij fossielen van de 'rechtopgaande aapmens'.
Een goede voorbereiding

Eugène Dubois werd in 1858 geboren in het Limburgse Eijsden, als zoon van een apotheker. Dat was dus één jaar voordat Darwin zijn evolutietheorie publiceerde. Dubois zwierf in zijn jeugd veel rond op de Sint Pietersberg, waar hij intensief speurde naar fossielen. Hij studeerde medicijnen in Amsterdam. Zijn interesse ging vooral uit naar de menselijke anatomie en na zijn artsexamen werd hij benoemd tot lector in de anatomie. Maar niet alleen de hedendaagse mens hield hem bezig. De geschriften van Darwin en Wallace over de afstammingsgeschiedenis van de mens en de ontdekking van resten van Neanderthalers in Europa stimuleerden zijn interesse voor de paleontologie.

Dubois wilde als eerste de ontbrekende schakel tussen aap en mens vinden. Omdat Darwin en Wallace hadden gesuggereerd dat de mens in de tropen was ontstaan, trok Dubois voor zijn speurtocht naar de missing link naar het toenmalige Nederlands-Indië.

De speurtocht naar de ontbrekende schakel

Dubois vertrok in 1887 als officier van gezondheid van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger naar Sumatra, waar hij in zijn vrije tijd talloze grotten onderzocht op fossiele resten. Toen op Java een fossiele schedel van een moderne mens, de zogenaamde Wadjak schedel, werd gevonden, zette Dubois zijn speurtocht daar voort. Als eerste wetenschapper ging hij ook buiten grotten zoeken naar menselijke fossielen. In 1891 vond hij in de oeverwand van de Solorivier bij het dorpje Trinil een kies en een schedelkapje. Deze leken toe te behoren aan een grote aap. Een jaar later vond Dubois echter in dezelfde vindplaats een dijbeen, waarvan de eigenaar duidelijk rechtop had gelopen.

Hij concludeerde dat deze resten afkomstig waren van de missing link tussen apen en mensen. Hij noemde hem Pithecanthropus erectus  wat rechtoplopende aapmens betekent. De ouderdom van de fossielen bij Trinil wordt geschat op één miljoen jaar.

Terug in Nederland toonde hij zijn 'Piet' op congressen in binnen- en buitenland. Voor de wereldtentoonstelling in Parijs in 1900 maakte hij zelfs een reconstructie van zijn Pithecanthropus. Zijn opzienbarende ontdekking werd zowel in wetenschappelijke kringen als in de dagbladpers en populaire tijdschriften druk besproken. Sommige wetenschappers meenden dat schedelkap en dijbeen niet bij elkaar hoorden. Anderen dachten dat de fossielen vervormd waren of afkomstig van een idioot. Ook waren er mensen die uit religieuze motieven Dubois bekritiseerden. Gedurende enige jaren legde Dubois zich toe op ander onderzoek.

Toen in de jaren twintig in de Chinese Choukoutien grot fossiele mensenresten werden gevonden, kwam de Pithecanthropus weer volop in de belangstelling te staan. In de jaren dertig vond de Nederlandse hoogleraar Von Koenigswald meer Pithecanthropus schedels op Java. Tegenwoordig rekenen we Dubois' vondst tot hetzelfde geslacht als de moderne mens en noemen we hem Homo erectus.

Een veelzijdig wetenschapper

De fossielen die Dubois in het toenmalig Nederlands- Indië (en later ook Brits-Indië) vond, stuurde hij in meer dan 400 kisten naar Leiden. Ze bevinden zich nu in de wetenschappelijke collectie van Naturalis. Ze geven een goed beeld van de dierenwereld ten tijde van Pithecanthropus, met onder andere een primitieve olifant (Stegodon) en een merkwaardig bosantiloopje (Duboisia santeng). Terug in Nederland werd Dubois een eredoctoraat in de plant- en dierkunde aan de Universiteit van Amsterdam verleend. Daarop volgde een benoeming tot hoogleraar in de kristallografie, mineralogie, geologie en paleontologie, en later in de fysische geografie.

Daarnaast was hij directeur van de 'Collectie Indische fossielen' in Leiden en curator van het paleontologisch-mineralogisch kabinet van het Teylers Museum in Haarlem. Tot aan zijn dood in 1940 was hij een veelzijdig wetenschapper. Hij wijdde zich onder andere aan historische klimaatsveranderingen. Heel belangrijk voor de paleontologie en de geologie is zijn onderzoek aan de fossielen uit de Klei van Tegelen.