Home

Selectie

Natuurlijke selectie

Sinds mensenheugenis worden planten en dieren gedomesticeerd. We selecteren die planten en dieren met de door ons gewenste eigenschappen en kruisen die met elkaar. In hun nageslacht zullen die eigenschappen weer tot uitdrukking komen. Maar ook in de natuur treedt selectie op. In dit geval selecteert het milieu. Darwin en Wallace kwamen op dit idee, toen ze zagen dat tussen eilanden een grote variatie in flora en fauna bestond. Omdat het milieu niet op ieder eiland gelijk is, is het resultaat niet overal hetzelfde. Op verschillende plaatsen kunnen dus verschillende varianten de overhand krijgen. In het algemeen geldt dat individuen (of varianten) die het beste in een bepaald milieu passen, het langste blijven leven en de meeste nakomelingen krijgen. Verandert het milieu, dan zullen mogelijk andere varianten beter aangepast zijn. Darwin noemde dit 'natuurlijke selectie' (natural selection) en het resultaat 'overleven van de best aangepaste' (survival of the fittest). Het kan ook gebeuren dat het milieu zo sterk verandert, dat geen enkele variant er goed in kan leven. Dan sterft de populatie uit. Als dit over het hele verspreidingsgebied van de soort gebeurt, sterft de soort uit.

Schijnselectie

Niet alle natuurlijke selectie gebeurt uitsluitend op grond van erfelijke eigenschappen (genotype). Soms wordt ook geselecteerd op eigenschappen die niet erfelijk zijn bepaald (fenotype). Bij de mens zien we bijvoorbeeld een grote variatie in lichaamslengte. Naast een erfelijke aanleg, wordt de lengte van iemand door de kwaliteit en de hoeveelheid voedsel beÔnvloed. Deze variatie bestaat ook in de natuur en wordt schijnselectie genoemd.

Treffende voorbeelden van schijnselectie zijn te vinden bij vlinders die meerdere generaties per jaar hebben. In veel gevallen ziet de voorjaarsgeneratie er enigszins anders uit dan de zomergeneratie, hoewel de dieren vergelijkbare erfelijke eigenschappen hebben (ze zijn immers familie van elkaar). De verschillen kunnen zo groot zijn, dat het lijkt alsof het twee verschillende soorten zijn. Zo werden de voorjaars- en zomergeneratie van het landkaartje (Araschnia levana) door Linnaeus als aparte soorten beschreven.

Selectie door dieren en planten zŤlf

Natuurlijke selectie wordt niet alleen bepaald door invloeden van buitenaf, maar individuen kunnen ook zelf selecteren. Een vrouwtjes fazant bijvoorbeeld, kiest haar partner op grond van zijn gedrag. Het mannetje moet bewijzen dat hij sterker is dan andere mannetjes. Dit doet hij door het ontwikkelen van felle kleuren en het vechten met andere mannetjes.

Selectie boven soortniveau

Selectie vindt niet alleen binnen soorten plaats. Bij gebrek aan voedsel of ruimte kunnen ook individuen van verschillende soorten elkaar beconcurreren. Het gaat dan niet meer om de strijd tussen soortgenoten, maar om welke soort de sterkste is. De concurrentie kan zů hoog oplopen, dat soorten elkaar verdringen. De zwakste soort kan daarbij geheel verdwijnen. Aan de ene kant betekent dit dat soorten uitsterven, terwijl aan de andere kant nieuwe soorten tot ontwikkeling komen. Een goed voorbeeld is de Zuid-Amerikaanse zoogdierfauna, die ongeveer twee miljoen jaar geleden in contact kwam met de fauna uit Noord-Amerika werd verbonden via Panama. Talloze Noord- Amerikaanse zoogdieren trokken naar het zuiden en verdrongen daar de oorspronkelijke fauna. In Zuid-Amerika ontstond een fauna die nieuw was voor dat continent.