Home

doopvontschelp

doopvontschelp

© WWF-Canon / Mauri Rautkari

De geribbelde witte doopvontschelp werd vaak gebruikt in kerken als bak voor het doopwater (een doopvont). Het is het grootste en zwaarste schelpdier.

Hoewel de doopvontschelp zeewater filtert, komt hij voor het grootste deel op een andere manier aan zijn voedsel. In zijn vlezige mantel leven microscopisch kleine algjes. Overdag stulpt de schelp zijn kleurige mandel zo ver mogelijk uit zodat de algen zonlicht kunnen opvangen. De algen groeien en vermenigvuldigen zich binnen het weefsel van het schelpdier. Een deel wordt door de doopvontschelp gebruikt als voedsel, maar de relatie tussen de alg en de schelp mogen we toch wel een geval van symbiose noemen.

De doopvontschelp is gewild om zijn vlees en schelpen. Vooral grote exemplaren zijn daardoor op veel plaatsen verdwenen. Doordat de schelp doorgaans tussen het koraal zit ingegroeid, brengt het verzamelen ook veel schade aan het rif toe. 

Dat doopvontschelpen gevaarlijk zijn voor duikers die vast zouden grijpen is een misverstand.

Andere namenreuzenoester; reuzenmossel
Wetensch. naamTridacna gigas
Engelse naamgiant clam
VerspreidingIndische en westelijke Grote Oceaan
Voedselplankton, zwevend organisch materiaal, inwendig algen
Lengtetot 1,5 m
Gewichttot 260 kg

Dit paspoort is afkomstig uit de Dierenbibiliotheek van het WNF