baardzwijn | ![]() |

© WWF-Canon / Terry Domico
Dit forse wilde zwijn uit Zuidoost-Azië dankt zijn naam aan zijn lange bakkebaarden. Bij één ondersoort is ook de rug van de neus met bijzonder lange, stugge haren begroeid. Het baardzwijn is hoogpotig en heeft een zijdelings afgeplat lichaam, dat verder vrij spaarzaam behaard is. De staart draagt een tweepuntige kwast aan het uiteinde.
Meestal leven baardzwijnen in familiegroepen op min of meer dezelfde plek. In sommige delen van Borneo maken ze twee keer per jaar massale trektochten langs vaste routes. Daarbij steken ze rivieren over en verliezen hun schuwheid voor mensen. De oorspronkelijke bewoners van Borneo (Dajaks) maken tijdens zo'n oversteek traditioneel jacht op het baardzwijn.
| Wetensch. naam | Sus barbatus |
| Engelse naam | bearded pig |
| Verspreiding | Zuidoost-Azië |
| Voedsel | vruchten, wortels, insectenlarven, loten van de sagopalm |
| Lengte | 100 - 160 cm, schouderhoogte tot 85 cm |
| Gewicht | tot 150 kg |
Dit paspoort is afkomstig uit de Dierenbibiliotheek van het WNF
