Home

Het godsbeeld van stammen en samenlevingen

Zogenaamde voorindustriŽle stammen ook wel oneerbiedig 'primitieve' stammen genoemd kijken op verschillende manieren tegen hun God (of goden) aan. Sociologen uit Nijmegen onderzoeken hoe die godsbeelden samenhangen met de manier waarop stammen leven. Hoe verder een samenleving zich in technologische zin ontwikkelt, hoe sterker de neiging om te geloven in ťťn oppermachtige god.††

Bij het woord 'evolutie' denken mensen vaak vooral aan planten of dieren. Die ontwikkelen in de loop van miljoenen jaren nieuwe eigenschappen waarmee ze beter kunnen overleven. Overbodige eigenschappen verdwijnen. Maar eigenlijk evolueren allerlei sociale zaken op dezelfde manier. Onze cultuur bijvoorbeeld, ons rechtssysteem en onze taal. En de manier waarop mensen tegen hun goden aankijken. Dat laatste onderzoeken prof.dr. Wout Ultee en zijn collega-sociologen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. 'Wij onderzoeken vooral 'voorindustriŽle' samenlevingen,' vertelt Ultee. 'Dat zijn groepen mensen die leven van het land waarop ze wonen, en die nog geen grootschalige industrie hebben ontwikkeld. We kijken vooral naar samenlevingen van zon honderd jaar geleden. Maar onze resultaten vergelijken we natuurlijk ook met moderne samenlevingen.'†

Atlas

De onderzoekers gebruiken de enorme hoeveelheid gegevens die tussen 1900 en 1950 is verzameld door cultureel antropologen: wetenschappers die 'vreemde' culturen onderzoeken. Die wetenschappers leefden vaak enkele jaren bij een bepaalde stam, bijvoorbeeld in het regenwoud van Zuid-Amerika of op de toendra van SiberiŽ. 'Ze verzamelden allerlei gegevens over de gewoonten van de mensen,' vertelt Ultee. 'In 1962 is van al deze gegevens een Ethnografische Atlas gemaakt: een boek dat de gewoonten beschrijft van 1267 voorindustriŽle stammen. Wij gebruikten daaruit een selectie van 186 stammen.'

Onderzoekster Nienke Moor, die door Ultee werd begeleid tijdens haar promotieonderzoek, legde al die gegevens naast elkaar. Ze keek daarbij vooral naar twee dingen: hoe zit elk van die samenlevingen in elkaar? En hoe kijken die samenlevingen tegen hun God of goden aan? De Nijmegenaren waren benieuwd of daar een verband tussen zou bestaan, en zo ja, hoe dat te verklaren zou zijn.†

Oppermachtige god

De voorindustriŽle stammen zijn grofweg in vier groepen in te delen, zo legt Ultee uit (zie tabel 1). Het minst technologisch ontwikkeld zijn de jagers en verzamelaars. Dan is er de eenvoudige tuinbouw, waarbij mensen gewassen verbouwen met werktuigen van hout en steen. Vervolgens is er de ontwikkelde tuinbouw, waarbij men metalen voorwerpen gebruikt om het land te bewerken. Ten slotte is er de akkerbouw, waarbij mensen op grotere schaal gewassen verbouwen met behulp van een ploeg.††

'Als mensen leven in een samenleving die technologisch meer ontwikkeld is,' zegt Ultee, 'dan zijn ze sterker geneigd te geloven in ťťn oppermachtige god.' Dat gegeven, dat al werd beschreven door de socioloog Gerhard Lenski in 1970, is goed te zien in tabel 2. Jagers en verzamelaars hebben meestal geen oppergod. En als die er wel is, dan bemoeit hij zich niet met de wereld en de mensen. Hetzelfde geldt voor eenvoudige tuinbouw-samenlevingen. Onder de ontwikkelde tuinbouwsamenlevingen zijn er al meer die in een oppermachtige god geloven, maar ook hier is dit meestal een inactieve god. Bij de akkerbouwers, die technologisch het meest ontwikkeld zijn, gelooft de meerderheid echter in een oppermachtige god die zich met de wereld bemoeit: hij beloont het goede en bestraft het kwade.†

Eťn leider

Hoe zijn die godsbeelden zo ontwikkeld? Bij het zoeken van een verklaring putten de Nijmegenaren uit de ideeŽn van de filosoof-socioloog Ernst Topitsch. Die stelde in 1954 dat mensen onbekende dingen proberen te verklaren aan de hand van vergelijkingen, ook wel analogieŽn genoemd, met dingen die ze wťl begrijpen. Bijvoorbeeld: zoals een beeldhouwer uit hout een beeld maakt, zo heeft God de mens uit klei gemaakt. Of: zoals een herder voor zijn schapen zorgt, zo zorgt God voor de mensen. 'Als je de theorieŽn van Lenski en Topitsch met elkaar combineert, vertelt Ultee, dan vallen er opeens een heleboel puzzelstukjes op hun plaats.'

Een samenleving die technologisch sterker ontwikkeld is, zo legt hij uit, produceert meer voedsel en kan daarmee meer monden vullen. Technologisch meer ontwikkelde samenlevingen bestaan daarom uit grotere groepen mensen. Dat zie je in tabel 3. Die grotere groepen hebben behoefte aan een soort structuur, aan een organisatie die alles in goede banen leidt: zie tabel 4. Grotere groepen hebben baat bij ťťn leider die de beslissingen neemt, anders wordt het een chaos. En zie: het godsbeeld in een technologische samenleving sluit daarbij aan. Er is ťťn oppermachtige god die beloont en straft: precies zoals een heerser over een staat heerst.

Bij jagers en verzamelaars, die in veel kleinere groepen leven, is er meestal niet ťťn leider. Bij hen zie je dan ook dat er ofwel helemaal geen god is, ofwel meerdere goden die de macht delen. Bij samenlevingen die daar wat betreft technologie tussenin zitten, en waar de structuur van de familie heel belangrijk is, wordt de God vaak gezien als vader. 'Het godsbeeld is dus niet rechtstreeks een gevolg van het niveau van de technologie, zegt Ultee, maar er zit een stap tussen: die van de manier waarop een groep mensen wordt bestuurd.'†

Meer inspraak

Maar in onze moderne samenleving, die zich technologisch steeds verder ontwikkelt, zijn er juist steeds minder mensen die geloven in een oppermachtige god. Hoe zit dat dan? Er zijn volgens de socioloog verschillende dingen aan de hand. Allereerst wordt onze maatschappij steeds democratischer. Het gezag ligt niet meer alleen bij de regering. Mensen hebben zelf ook op allerlei manieren inspraak. Het idee van een almachtige God past daar steeds minder bij. En ten tweede gaan steeds meer mensen twijfelen aan het bestaan van een God, juist omdŠt we zelf zoveel kunnen op het gebied van wetenschap en technologie. Ultee: 'Wetenschappers kunnen ingrijpen in allerlei processen in de natuur en in het menselijk lichaam. Mensen geloven daardoor minder in een God die alles in de hand heeft.' Maar, zo benadrukt Ultee, 'geloven' is veel breder dan alleen het wel of niet in een God geloven. Er zijn allerlei vormen tussenin. 'Dat maakt geloof in onze moderne tijd zo boeiend. Het is heel divers. Er zijn mensen die wel in een hemel geloven maar niet in een hel, maar niet andersom! En er zijn mensen die geloven dat er iets is, ook al is dat geen god. Onderzoek naar godsdienst wordt ingewikkelder, maar ook steeds interessanter.'†

Meer informatie:

Uitgebreid artikel over het onderzoek van Wout Ultee in NRC Handelsblad

Powerpoint-presentatie van Nienke Moor over bestaanstechnologieŽn en godsbeelden†