Home

De Nederlandse twijfel

In 1960 vraagt de Minister van Buitenlandse Zaken de KNAW of er bij nader inzien niet toch wetenschappelijke redenen zijn om aan het antarctisch onderzoek mee te doen. De reacties van de secties aardkunde en biologie van de KNAW zijn buitengewoon negatief. Beide secties vinden het onderzoek voor Nederland niet aantrekkelijk, niet urgent en onbelangrijk. Volgens de betreffende geleerden heeft Nederland een reputatie en traditie in de tropen en het onderzoek moet daar geconcentreerd blijven. De afdeling Natuurkunde, waartoe beide secties behoren, laat daarom het Algemeen Bestuur van de KNAW weten niets te zien in Nederlandse deelname aan antarctisch onderzoek.

Nederland wikt...

Kort daarop verzoekt de Belgische regering, door de gebeurtenissen in de Kongo in financiŽle nood gekomen, Nederland om het Belgische station op Antarctica over te nemen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is van mening dat een Nederlandse deelname in het belang van de westerse wereld is. De Russen kunnen een onbemand station immers zo overnemen. Het wendt zich om steun tot de Ministeries van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en Verkeer en Waterstaat. Weer wordt de KNAW om advies gevraagd. De besluitvorming duurt echter te lang en de Nederlandse deelname gaat weer niet door.

...en weegt...

Het daarop volgende jaar informeren de Belgen of er dan een gezamenlijke expeditie naar Antarctica mogelijk is. Weer komt er geen duidelijk Nederlands antwoord. In 1962 herhaalt BelgiŽ het verzoek. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken voelt op politieke gronden veel voor een samenwerking, maar de Ministeries van Verkeer en Waterstaat en Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zijn alleen voor een samenwerking als deze een wetenschappelijk doel heeft. Het Algemeen Bestuur van de KNAW verandert van standpunt waardoor de kansen op een daadwerkelijke Nederlandse deelname aanmerkelijk toenemen.

...en stapt toch in

In 1963 is het dan eindelijk zover. Nederland neemt deel aan de Belgische expeditie van 1963-1964. De KNAW richt een Commissie voor het Antarctisch Onderzoek (NCAO) op en deze commissie krijgt 650.000 gulden subsidie van ZWO, de voorganger van NWO. BelgiŽ nodigt Nederland uit vooral meteorologisch onderzoek te doen, waardoor het KNMI weer het meest betrokken instituut wordt. Het levert samen met de Marine de Nederlandse leden van de expeditie. De NCAO organiseert na een geslaagde eerste expeditie ook de Nederlandse deelname aan de volgende twee gezamenlijke expedities. Tijdens de voorbereiding van de derde expeditie ontstaat echter verdeeldheid in de commissie over de voortzetting van de expedities. Het ad-hoc karakter van de expedities wordt vooral door de voorzitter als een te grote beperking van het onderzoek gezien. Hij wil de verzekering van een lange reeks van expedities. Ondanks diverse pogingen lukt het niet om het Nederlands-Belgische poolonderzoek vlot te trekken. Al aan het eind van de jaren zestig komt er na een korte reeks expedities een eind het poolonderzoek van de lage landen..

Auteur: Prof. dr. Louwrens Hacquebord (Arctisch Centrum, Rijksuniversiteit Groningen)