Home

Andere verdragen: robbenjacht, visserij, mijnbouw en milieubescherming

Sinds het in werking treden van het Antarctica Verdrag in 1961 zijn veel aanbevelingen aangenomen over het gezamenlijk beheer van Antarctica.

Het Antarctisch Verdragsstelsel

Al in 1964 werden belangrijke maatregelen getroffen ter bescherming van de antarctische flora en fauna (de zgn. Agreed Measures for the Conservation of Antarctic Flora and Fauna). Ook zijn verschillende afzonderlijke† verdragen gesloten. Al deze afspraken worden gezamenlijk het Antarctisch Verdragsstelsel genoemd (Antarctic Treaty System). Hieronder komen de Antarctische verdragen kort aan bod. Zie voor de teksten van de verdragen http://www.polarlaw.org/Treaty.htm, november 2003.

Verdragen voor de bescherming voor robben en ter voorkoming van overbevissing

Robbenverdrag
In 1972 kwam het Robbenverdrag (Convention for the Conservation of Antarctic Seals, CCAS) tot stand. Hoewel er op dat moment geen commerciŽle robbenjacht meer plaatsvond, wilde men voor alle zekerheid afspraken maken voor het geval deze activiteit weer zou worden opgepakt.

Het verdrag bevat geen totaal verbod op het doden van zeerobben. Met uitzondering van enkele speciaal beschermde soorten blijft exploitatie in beginsel mogelijk, zij het dat in de annex van het verdrag maatregelen worden getroffen (zoals vangstquota en het vaststellen van periodes en zones waarin jacht mogelijk is) om te voorkomen dat het natuurlijk evenwicht wordt verstoord.

Voorts blijft het doden van zeerobben mogelijk ten behoeve van voedselvoorziening, wetenschappelijk onderzoek en ten behoeve van musea en educatieve en culturele instituten, mits een vergunning hiervoor is afgegeven. Van laatstbedoelde mogelijkheid wordt nog wel gebruik gemaakt en partijstaten rapporteren hierover jaarlijks. CommerciŽle zeerobbenjacht in Antarctica heeft ook na het tot stand komen van het verdrag niet meer plaatsgevonden.

Krill-verdrag
In 1980 werd het zogenaamde Krill-verdrag (Convention on the Conservation of Antarctic Marine Living Resources, CCAMLR), afgesloten. (Krill is een garnaalachtig diertje van ongeveer 6 cm; het komt in grote hoeveelheden in de zuidelijke oceanen voor en vormt het belangrijkste voedsel voor veel soorten pinguÔns, zeehonden en walvissen.) Dit verdrag bevat regels om de natuurlijke rijkdommen in het sub-Antarctisch en antarctisch zeegebied (dus niet het continent zelf) te beschermen tegen overexploitatie. Onder de vlag van dit verdrag worden op basis van wetenschappelijke onderzoek onder meer afspraken gemaakt over de hoeveelheden te vangen vis en krill en over de wijze waarop illegale visvangst kan worden tegengegaan (zie www.ccamlr.org). Het verdrag ziet niet op de jacht op robben en walvissen omdat hiervoor afzonderlijke verdragen gelden: het hiervoor genoemde Robbenverdrag en het Walvissenverdrag van 1946 (zie http://www.iwcoffice.org/Convention.htm, november 2003).

Mijnbouw in Antarctica: een verdrag of toch maar niet?

Op Antarctica zijn minerale rijkdommen gevonden, maar al lange tijd is de algemene opvatting dat de hoge kosten daadwerkelijke exploitatie niet interessant maken. Toch werd met het oog op het tijdig vastleggen van de randvoorwaarden voor eventuele toekomstige minerale activiteiten al in de loop van de jaren tachtig een Antarctisch mijnbouwverdrag ontwikkeld (Convention on the Regulation of Antarctic Mineral Resource Activities (CRAMRA)). Dit verdrag was in 1989 gereed maar milieu-organisaties voerden een stevige internationale campagne tegen mijnbouw in Antarctica.

Volgens Greenpeace, de Cousteau Stichting en andere organisaties zou Antarctica moeten worden uitgeroepen tot World Park en daar paste een totaalverbod op mijnbouw bij. Door deze druk en andere factoren (bijv. verkiezingen) kondigden AustraliŽ en Frankrijk aan dat zij het verdrag niet zouden ondertekenen en bekrachtigen. Hiermee was duidelijk dat het mijnbouwverdrag niet in werking kon treden en dit vormde de directe aanleiding voor de onderhandelingen van het hierna te bespreken Protocol.

Milieubescherming: het milieuprotocol van 1991

Voor Nederland is het Protocol inzake milieubescherming van 1991 momenteel het meest relevant. Dit Protocol omvat een algemeen deel en vijf bijlagen met meer specifieke bepalingen. De vijf bijlagen bevatten bepalingen over respectievelijk milieu-effectbeoordeling, afvalverwijdering, flora- en faunabescherming, voorkoming van vervuiling van het marine milieu en de aanwijzing van speciaal beschermde of speciaal beheerde gebieden. Zowel de algemene als de meer specifieke bepalingen zijn in beginsel van toepassing op alle activiteiten in Antarctica (uitgezonderd visserij en de jacht op robben en walvissen). Al deze bepalingen moeten worden beschouwd in het licht van de milieubeginselen, zoals geformuleerd in artikel 3 van het Protocol.

Eťn van de kernelementen van het Protocol vormt de verplichting om voor iedere voorgenomen activiteit naar het Antarctische gebied een voorafgaande milieu-effectbeoordeling uit te voeren (artikel 8 en bijlage I). Voorts kent het Protocol een drietal afzonderlijke vergunningplichten voor specifieke handelingen, alsmede een groot aantal specifieke verbodsbepalingen. Het meest essentiŽle verbod betreft het verbod op minerale activiteiten: na stevige discussies werd uiteindelijk in artikel 7 van het Protocol een verbod opgenomen voor het ondernemen van niet-wetenschappelijke minerale activiteiten.

Afgesproken is ook dat dit verbod in 2048 (50 jaar na de inwerkingtreding van het Protocol) weer ter discussie kan worden gesteld. Of dit ook zal gebeuren is afwachten. (Geluiden van de zijde van de olie-industrie doen vermoeden dat het niet stil zal blijven. Eťn van de stellingen tijdens de Antarctic Futures Workshop in april 1998 in Nieuw Zeeland - geponeerd door een vertegenwoordiger van Webster Drilling - luidde: Antarctic oil resources are significant. Environmentally friendly technologies are available. Pressures to exploit will come.)

Tenslotte bevat het Protocol voorzieningen inzake internationale samenwerking, de instelling van een commissie voor milieubescherming met een belangrijke adviesfunctie voor de participerende landen, bepalingen inzake het uitvoeren van internationale inspecties, een regeling voor noodsituaties en een regeling voor geschilbeslechting.


Auteur: dr. Kees Bastmeijer (Universiteit van Tilburg)