Home

Vogelsoorten die in beide poolgebieden voorkomen

 

Vogelsoorten die in beide poolgebieden voorkomen

Zijn er ook vogelsoorten die de beide polen gemeen hebben? De bij vogels in het zuidpoolgebied beschreven Zuidpooljager (South Polar Skua) heeft in ieder geval een zeer nauwverwante soort op het noordelijk halfrond: de Grote jager (Great Skua), die o.a. op de Shetland eilanden broedt maar ook als schaarse broedvogel op Spitsbergen voorkomt.

Jagers zijn vooral bekend om de spectaculaire manier waarop ze meeuwen en sterns, maar ook grote zeevogels als Jan van Genten kunnen achtervolgen tot die hun pasgevangen voedsel opbraken, waarna de jagers het zelf opeten. Heeft een Jan van Gent niets in zijn maag om in te leveren, dan komt het zelfs voor dat meerdere Grote Jagers gezamenlijk zo op die Jan van Gent inhakken totdat deze doodgaat om vervolgens door de jagers opgegeten te worden.

Hoe moeilijk deze twee soorten uit elkaar te houden zijn, bleek toen Pierre Devillers museumcollecties met geprepareerde Grote Jagers en Zuidpooljagers onder de loep ging nemen. In het museum van Kopenhagen ontdekte hij een als Grote Jager geprepareerde vogel, die in Groenland geschoten was, maar in werkelijkheid een Zuidpooljager bleek te zijn. Kort daarop werd in Groenland op 31 juli 1975 op 65 º noorderbreedte een Zuidpooljager geschoten, die 6 maanden eerder als bijna vliegvlug kuiken was geringd op 65 º zuiderbreedte door Amerikaanse onderzoekers was geringd op het Antarctisch schiereiland, een afstand van ruim 15.000 km. Tussen de Grote jagers op het noordelijk halfrond komen dus wel degelijk ook af en toe Zuidpooljagers voor.

 

Noordse stern

Het meest spectaculair is natuurlijk de Noordse stern, die broedt op het noordelijk halfrond tot bijna 84º Noorderbreedte (Cape Morris Jesup in Groenland), en overwintert in het Zuidpoolgebied tot 78 º Zuiderbreedte. Daar komt ook nog een nauwelijks van hem te onderscheiden stern voor: de Antarctische stern. De Engelse naam voor de Noordse stern is Arctic tern. Finn Salomonsen heeft aan de hand van veel trekwaarnemingen uitgezocht hoe die trekroute van deze Noordse stern nu precies loopt (zie kaartje).

Problematisch voor Noordse sterns zijn af en toe de zeer zware westerstormen op de zuidelijke breedtegraden van de roaring forties en howling fifties. Bij het oversteken van deze zone op weg naar Antarctica komen ze soms dan ook helemaal; in Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland terecht.

Nadat ze deze zone hebben overgestoken komen ze in rustiger vaarwater langs de ijsrand om daar hun noordelijke winter door te brengen. Daar is het dan weer de zuidelijke zomer zodat de Noordse stern in zijn leven waarschijnlijk het meeste daglicht meemaakt van welk levend organisme dan ook.

In november komen de eerste Noordse sterns aan in het zuidpoolgebeid, waar ze overwinteren langs de rand van het pakijs dat dan het verst in noordelijke richting voorkomt, zo tussen de 1000 en 2000 km van het Antarctische vasteland, maar nog wel in de zone van westelijke winden. Gedurende de zuidpoolzomer smelt het pakijs, en in maart heeft het pakijs zich het verst teruggetrokken naar het zuiden. Op veel plaatsen tot aan de vastelandskust van Antarctica.

Met het terugtrekkende pakijs komen de in de zuidelijke poolzomer overwinterende Noordse sterns in een veel rustiger zone van oostelijke winden. In januari en februari doen ze het iets rustiger aan en ruien ze al vliegend en vissend pen voor pen hun slagpennen. Begin maart kunnen ze weer perfect vliegen, en beginnen ze aan de terugtocht. Ze kunnen nu gebruik maken van die oostenwinden om naar het westen te trekken, maar ze moeten de inmiddels enkele duizenden kilometers brede zone van krachtige westenwinden over open zee door.

De Noordse sterns hebben hiervoor de volgende oplossing gevonden, of beter gezegd een keiharde natuurlijke selectie heeft hen geprogrammeerd tot het nemen van de volgende route: eerst helemaal voor de wind doorvliegen in westelijke richting tot de Weddell Zee, en vandaar een noordoostelijke koers kiezen dwars door de noordelijker gelegen zone van westenwinden, zodat ze met toch nog een beetje voordeel van de wind door de roaring forties naar het noordelijk halfrond vliegen. De overgrote meerderheid van de Noordse sterns blijken via de Atlantische Oceaan weer naar het noorden te trekken.

 

Trek van de Noordse stern (Finn Salomonsen, 1967)

 

Ook individuele ringmeldingen ondersteunen deze op waarnemingen van trekkende Noordse sterns gebaseerde reisroute: een Noordse stern die als kuiken in Denemarken op Saltholm (55º noorderbreedte, 12 º oosterlengte) was geringd is later in februari op de rand van het pakijs bij Wilkes Land (65º zuiderbreedte; 112 º oosterlengte) doodgevonden, hemelsbreed een afstand van ruim 16.500 km, maar de werkelijk door deze stern afgelegde route is natuurlijk veel groter geweest.


Auteur: dr. Bart Ebbinge (Alterra)