Home

Vogels in het zuidpoolgebied

á

Op en rond de zuidpool zijn vogels weliswaar de meest opvallende dieren, maar we treffen eigenlijk slechts vertegenwoordigers van 4 ordes aan. Daaronder allereerst die van de karakteristieke pingu´ns (Sphenisciformes), een orde die helemaal geen vertegenwoordigers op het noordelijk halfrond heeft.

á

Keizerspingu´n met jongen (AWI, Bremerhafen)

á

De overige drie ordes hebben dus ook vertegenwoordigers in het Noordpoolgebied. Prominent zijn de Stormvogelachtigen (Procellariformes) met 24 soorten, en verder de Pelecaniformes met 2 soorten aalscholvers en de Charadriiformes met 1 meeuwensoort, 2 soorten sterns, 2 soorten poolkippen en 2 soorten jagers (roofmeeuwen).


Als uitzonderingen komen in het meest noordelijk deel van het zuidpoolgebied ook nog twee eendesoorten voor: de Kerguelen pijlstaart en de South Georgia pijlstaart, en ÚÚn zangvogel (de South Georgia pieper), die we tot de Antarctische avifauna rekenen. Van deze in totaal 43 soorten zijn er maar 5 die uitsluitend op het land leven. Alle overige zijn echte zeevogels.
Onder de orde van de Charadriiformes vallen overigens ook de steltlopers, zeekoeten en alken die op het noordelijk halfrond broeden.

á

Pinguins

Pingu´ns zijn de meest bekende vogels uit Antarctica. Van de 18 soorten pingu´ns die er op het zuidelijk halfrond voorkomen, worden er 7 tot de zuidpoolbewoners gerekend. Ze zijn geŰvolueerd uit vliegende vogels, en eigenlijk kunnen ze ook vliegen met hun tot flippers omgevormde vleugels, zij het dan onder water. Door de afwezigheid van landpredatoren in het Zuidpoolgebied vormt het feit dat ze niet door de lucht kunnen vliegen geen ernstige handicap voor ze. Van de 7 soorten pingu´ns springen er twee uit wat aanpassing aan extreme koude betreft. Dat zijn de kleine Adelie pingu´n, en de grote Keizerspingu´n. Beide soorten kunnen de barre antarctische poolnacht alleen doorstaan door dicht opeengepakt in grote kolonies zich aan elkaar te warmen.

á

Keizerspingu´nkolonie op Antarctica (AWI, Bremerhafen)


Keizerspingu´ns leggen een ei in hartje winter ver van open water, en het mannetje broedt het ei vervolgens uit door het boven op zijn voeten te rollen en dan onder zijn warme buikplooi. Dit duurt maar liefst twee maanden bij vaak barre weersomstandigheden met harde wind bij temperaturen van 40 -60 graden onder nul.

Het vrouwtje is na het leggen van het ei weer naar open zee gegaan om aan te sterken en komt tegen de tijd dat het kuiken uit het ei komt weer terug. Het is dan augustus, en een maand later begint de zuidelijke lente. En beide ouders gaan afwisselend naar zee om voedsel te halen.

Rond de jaarwisseling (in de zuidelijke zomer) verliezen de jongen hun dikke grijze dons, en krijgen een grijsgelig verenkleed dat al een beetje op dat van hun ouders begint te lijken. Al hebben ze dan nog lang niet het volwassen formaat, toch zijn ze dan bijna klaar voor een onafhankelijk bestaan. Het ijs waarop ze geboren zijn begint inmiddels te breken, en met het drijfijs gaan de jongen de zee in en voeden zichzelf met krill. Ook de oudervogels trekken dan noordwaarts en ruien hun veren in februari en maart.

Op het noordelijk halfrond kennen we vogels die wel aan pingu´ns doen denken, ook keurig in het zwart-wit gestoken visetende vogels, met hun poten aan het achtereind van het lichaam, maar deze vogels: zeekoeten en alkachtigen kunnen echt vliegen. Ze broeden in grote kolonies op steile kliffen met smalle richeltjes zodat eirovers weinig kans hebben hun eieren te roven.

á

Noordse pingu´n (=alk), uit George Edwards, Natural History of uncommon Birds, 1750 (Teylers Museum)
á

Stormvogelachtigen

Albatrossen

Zo grappig als de pingu´ns zijn om naar te kijken, zo indrukwekkend zijn de albatrossen die broeden op de eilanden rondom het zuidpoolgebied. Zij zijn de grootste en het gemakkelijkst te herkennen van de stormvogelachtigen, een groep vogels die het beste vertegenwoordigd is in Antarctica.

De lange en smalle vleugels met een spanwijdte van bijna 3 meter bij de Wandering Albatross stelt hen in staat zwevend duizenden kilometers af te leggen om voedsel uit zee te halen. Zelfs vogels die een jong hebben (een albatros legt slechts ÚÚn ei) kunnen op ÚÚn voedselvlucht bijna 10.000 km afleggen, voordat ze terugkomen om hun jong te voeren, zoals uit onderzoek met satellietzenders is gebleken. Albatrossen gaan zelf pas broeden als ze zeven tot negen jaar oud zijn, en kunnen ruim 30 jaar oud worden.

á

Albatros, uit: George Edwards, Natural History of uncommon Birds, 1747 (Teylers Museum)

á

Fulmarine stormvogels

De echte harde jongens zijn de fulmarine stormvogels, waar Jan Andries van Franeker zijn hart aan heeft verpand. Zij broeden echt op het antarctische continent in vijf verschillende soorten. Op het noordelijk halfrond kennen we maar ÚÚn nauwe verwant van hen: de Noordse stormvogel. Karakteristiek zijn de beide buisjes op de bovensnavel.


De Antarctische stormvogel en de Sneeuwstormvogel zich de echte koude kikkers die het hele jaar tussen het zee-ijs leven en een deel van hun broedkolonies bevinden zich zelfs honderden kilometers vanaf het open water (waar ze hun voedsel moeten vinden) in het binnenland van Antarctica waar ze op nunataks, rotsen die boven het ijs uitsteken, nestelen.


De grootste stormvogel is, zoals de naam al zegt, de Reuzenstormvogel, waarvan een noordelijke (maar nog wel op het zuidelijk halfrond) en een zuidelijke soort voorkomt. Dit is een echte aaseter die kadavers van pingu´ns, zeehonden en zelfs zeeolifanten schoon eet, maar ook levende vogels naar binnen werkt. Het is een goede zweefvlieger, maar heeft moeite met landen en opstijgen op oneffen terrein.

Op Ardery Island bleek uit onderzoek van Jan Andries van Franeker dat de veel kleinere Antarctische stormvogels zwaar te lijden hebben onder deze Reuzenstormvogels. Dit was een nieuw verschijnsel, want in de eerst jaren van het onderzoek konden de Antarctische stormvogels vrijwel ongestoord hun eieren uitbroeden. Deze Antarctische stormvogels broeden op met rotsen bedekte klifhellingen, waar normaal gesproken, deze lompe Reuzenstormvogels dan ook niet kunnen landen, maar doordat in recente jaren er steeds meer sneeuw viel die ook bleef liggen, ontstonden geschikte landingsbanen waar de zuidelijke Reuzenstormvogels zich als een soort kamikazepiloten uit de lucht lieten vallen, om vervolgens te voet strompelend (het zijn onbeholpen lopers) op strooptocht te gaan. Met verrassingsaanvallen wisten ze volwassen Antarctische stormvogels van het nest te graaien en op te eten. Een 10 % van de broedvogels verdween zo in de magen van Reuzenstormvogels. Hoewel de Reuzenstormvogels zelf geen interesse hadden in de eieren van hun slachtoffers, werden bij dergelijke strooptochten veel nesten tijdelijk verlaten en op zulke momenten sloegen zuidpooljagers (een roofmeeuwensoort) toe, zodat in korte tijd alle nesten in deze kolonie verloren gingen.

Analyse van weergegevens gaf aan dat in de periode 1980-1996 de sneeuwval sterk was toegenomen, vooral in het voorjaar als gevolg van een kleine verandering in de overheersende windrichting. Een voorbeeld hoe klimaatsinvloeden een onverwacht effect op het broedsucces van bepaalde soorten kunnen hebben.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden uit deze interessante groep, die naast de fulmarine stormvogels, verder bestaat uit pijlstormvogels, de kleine stormvogeltjes, duikstormvogels, pterodroma's en walvisstormvogels.

á

Charadriiformes

Deze groep vogels die zo rijk vertegenwoordigd is in het Noordpoolgebied, kent slechts 6 vertegenwoordigers in Antarctica: de Dominicaanse meeuw, twee soorten Zuidpooljagers (Brown en McCormick Skua), twee sterns, de Antarctische stern en de Kerguelen stern en tenslotte twee soorten bizarre, witte duifachtige vogeltjes, die het beste als poolkippen beschreven kan worden.

Deze poolkippen (de Wattled en de Lesser Sheathbill, Chionis spec.) zijn aaseters, die ook eieren en dode of stervende kuikens naar binnen werken. Ze scharrelen op schijnbaar onge´nteresseerde wijze tussen pingu´nkolonies door, en slaan hun slag als het maar even kan. Sommigen passen het trucje toe om tegen pingu´ns op te fladderen die juist hun jongen aan het voeren zijn, zodat een deel van het opgebraakte voedsel gemorst wordt, en de poolkip weer snel een hapje naar binnen kan werken. Verder versmaadt deze poolkip niets en consumeert hij ook uitwerpselen van zeehonden, peuzelt aan karkassen, en tal van andere in onze ogen onsmakelijkheden.

Een tweede continue bedreiging in de grote pingu´nkolonies is de Zuidpooljager. Deze vogel die nauwelijks te onderscheiden is van de Grote jager die we van het noordelijk halfrond kennen, is ook steeds op de loer om eieren en pas uitgekomen kuikens naar binnen te werken. Zo is het een hele strijd om het bestaan in de kolonies van die schijnbaar nette heertjes de pingu´ns. Onderzoekers die echter in dergelijke kolonies gewerkt hebben weten wel beter Het is maar goed dat natuurfilms en die prachtige fotos de geur uit een dergelijk kolonie niet overbrengen.


Auteur: dr. Bart Ebbinge (Alterra)