Home

Periode van 2.000 jaar geleden tot heden

De komst van de Romeinen, omstreeks 50 jaar voor Christus, en de economische veranderingen die dat met zich meebracht, betekende een keerpunt in de relatie tussen mens en landschap. Voor het eerst ontstaat een geordende infrastructurele ontwikkeling. Er komen verharde wegen om onder andere snel legers te kunnen verplaatsen. Ook handelswaar en bouwmateriaal kunnen gemakkelijker worden vervoerd. De eerste steden, zoals Maastricht en Nijmegen, ontstaan en er worden bruggen over de Maas gebouwd. Garnizoensplaatsen krijgen verdedigingsgrachten.

Met de Rijn, vanaf het jaar 47 als noordelijke grensrivier van het Romeinse Rijk, staat Nederland op de (Romeinse) kaart. Op de vruchtbare lŲss- en leemgronden in Brabant en Limburg verschijnen grote boerderijen, de zogenoemde villae. Nog meer dan in voorgaande tijden moet bos plaatsmaken voor landbouw en veeteelt. Het Romeinse leger neemt veel lokale producten af. Het intensievere grondgebruik leidt tot versterkte erosie en versnelde afvoer van oppervlaktewater. Daardoor treden rivieren vaker buiten hun oevers. Andere ingrepen in het landschap betroffen de winning van klei en mergel in Zuid-Limburg.

Paleogeografie van het Nederlandse vasteland tijdens de Romeinse Tijd, ongeveer 50 na Christus © TNO-NITG

Toenemende invloed van de mens

In de relatief warme Romeinse Tijd komt de massale veengroei met name in de kustvlakte op veel plaatsen tot een einde. Dat komt voor een groot deel door natuurlijke drainage, maar ook omdat de mens in de kustzone steeds meer veengebieden gaat ontginnen. De vele archeologische vindplaatsen uit de tweede eeuw na Christus tonen aan, dat bewoning van het veen in Zuidwest-Nederland toen goed mogelijk was. De bodemdaling die daarmee gepaard gaat, leidt er echter rond 300 na Christus toe dat de zee diep in Zeeland kan binnendringen. Naast klink door natuurlijke ontwatering en oxidatie van veen aan de lucht, draagt het steken van turf voor onder andere de zoutwinning bij aan een steeds verdere daling van het oppervlak. Daardoor krijgt de zee telkens meer greep op het veengebied en treedt op grote schaal erosie op.

Met uitzondering van het mondingsgebied van de Maas en de Rijn vormt de Hollandse kust tot en met Vlieland in bijna het hele eerste millennium van onze jaartelling nog steeds ťťn gesloten, natuurlijke barriŤre. De strandwallen met hun duinen blijken een hechte zeewering, die de kwetsbare veengebieden tegen de erosiekracht van de zee beschermt. Onder de toenmalige relatief vochtige klimaatomstandigheden gedijen de resterende levende veengebieden goed. Dat verandert rond het jaar 900, als in West- en Noord-Nederland de grootschalige ontginning van de (hoog)veengebieden op gang komt. De landsheren en vooral ook de Bisschop van Utrecht, gunnen de ontginning van de wildernis aan vrije boeren. Aanvankelijk gaat het slechts om de gebieden geschikt te maken voor landbouw, maar al spoedig komt daar de winning van turf als brandstof bij. Deze ontginning van het veen veroorzaakt een sterke bodemdaling. De bewoners krijgen steeds meer moeite om droge voeten te houden. Ze leggen bijvoorbeeld kades aan om het water van de hogergelegen veengronden vast te houden. Maar een eenmaal ingezet proces van klink in veen valt niet meer te keren.

Paleogeografie van het Nederlandse vasteland tijdens de Vroege Middeleeuwen, ongeveer 800 na Christus © TNO-NITG

Vanaf de Romeinse Tijd treden ook in het rivierengebied forse veranderingen op. Veel rivieren verleggen hun loop. Hoewel er al in de Romeinse Tijd enige menselijke invloed is op het gedrag van de rivieren, zijn alle belangrijke veranderingen in dit gebied sinds ongeveer het jaar 1000 het gevolg van menselijk handelen geweest.

In de Late Middeleeuwen begint de Hollandse kust terug te schrijden. De oorzaak van deze omslag is niet precies bekend, maar de afname van de zandtoevoer naar de kust speelt waarschijnlijk een grote rol. Uit historische informatie lijkt het bovendien aannemelijk dat toename van de stormfrequentie een belangrijke factor bij deze kusterosie was. Een nieuwe periode van duinvorming vanaf ongeveer het jaar 1000, lijkt verband te houden met deze nieuwe fase van kustafbraak.

De kwelders en (getijden)oeverwallen in Noord-Nederland zijn al vůůr de Romeinse Tijd tot boven gemiddeld hoogwater opgeslibd en geschikt voor bewoning. Door terpen aan te leggen kan de mens de nog gestaag voortgaande zeespiegelrijzing het hoofd bieden en zich vele eeuwen in dit landschap handhaven.

Nederland omstreeks 1250. Grote delen van West- en Noord-Nederland zijn bedijkt waardoor er geen klastische sedimentatie meer plaatsvindt. Ook het overgrote deel van de benedenstroomse rivierlopen is dan bedijkt. In de buitendijkse gebieden van Zuidwest- en Noord-Nederland worden kweldergebieden achtereenvolgens ingepolderd © TNO-NITG

Door de veenafgravingen kunnen bestaande meertjes zich uitbreiden en ontstaan er nieuwe plassen in het IJsselmeergebied en in Holland. Op deze grote wateroppervlakken krijgt de wind vrij spel. De resterende veenvoorkomens worden opgeruimd door de golven. Dergelijke uitdijende waterpartijen vormen gaandeweg een steeds ernstiger bedreiging voor steden en agrarisch gebied. Vanaf de dertiende eeuw gaan de bewoners kleine plassen bedijken. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw zetten ze windmolens in om het overtollige water uit de polders te malen. In de zestiende eeuw kunnen op deze wijze plassen van enige omvang droogmalen worden. Als de handel op de Oostzee, AziŽ en de West in de zeventiende eeuw een ruime geldmarkt creŽert, verschaft dit de nodige financiŽle middelen voor het droogmalen van grotere meren, zoals de Schermer en de Beemster. De droogmakerijen verschaffen niet alleen nieuw landbouwareaal, maar brengen ook aanzienlijke verbetering in de veiligheid en de afwatering. Wanneer de overzeese geldbronnen in de 18e eeuw oprdrogen, blijft het landschap tot begin 19e eeuw vrijwel ongemoeid. Nederland ziet er dan nog heel anders uit dan nu.

Natuurlandschap wordt cultuurlandschap

Daarin komt pas verandering als in de loop van de 19e eeuw de landelijke netwerken van verharde wegen, een wijdvertakt kanalensysteem en de spoorwegen worden aangelegd. Ook de bevolking en de verstedelijking begint dan sterk toe te nemen. Het Nederlandse natuurlandschap is inmiddels veranderd in een cultuurlandschap. Door toepassing van stoommachines kunnen ook grote watervlakten zoals de Haarlemmermeer, in het midden van de 19e eeuw snel worden drooggemalen. Met de grote IJsselmeerpolders en de uitvoering van het Deltaplan, verandert het land nog veel sneller van karakter en zet de mens in de 20ste eeuw het landschap definitief naar zijn hand.

Door de voorschrijdende technologie vormt de bodemgesteldheid en de ondergrond steeds minder een belemmering of juist een stimulans voor de realisatie van onze ambities. De mens raakt los van zijn ondergrond. Totdat eind 20ste eeuw duidelijk wordt dat dit veel extra risico's en kosten met zich meebrengt. Er is†nu een groeiend besef dat kennis van de ondergrond noodzakelijk is om de effecten van ingrepen op het landschap en in de ondergrond te kunnen voorspellen. Daartoe is zeker ook feitelijke kennis over de samenstelling van de ondergrond vereist. Belangrijker nog is kennis van de geolgische processen die bij het ontstaan van ons land een rol speelden. Zulke proceskennis is onontbeerlijk om de toekomstige ontwikkeling van ons land te kunnen voorzien.

Klik hier voor een overzicht van alle perioden van de algemene geologische tijdschaal.