Home

Het Vroeg-Pleistoceen

In de klassieke Noord-Europese Kwartairstratigrafie omvat het Vroeg-Pleistoceen de etages Pretiglien, Tiglien, Eburonien, Waalien, Menapien en Bavelien. Het Vroeg-Pleistoceen duurde ongeveer 1,75 miljoen jaar.

Het Pretiglien- 2,6 tot 2,45 miljoen jaar geleden

Op het noordelijk halfrond beginnen zich omstreeks†2,5 miljoen jaar geleden tijdens het Pretiglien tamelijk grote landijskappen te ontwikkelen. IJsbergen laten tot vrij ver zuidelijk puin achter op de bodem van de Atlantische Oceaan. De zeespiegelstand beweegt gedurende het Pretiglien tot drie keer toe minimaal†50 meter op en neer. De invloed van kouder water vanuit het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan neemt toe. Warmteminnende loofbomen en subtropische Tertiaire flora-elementen zijn geheel uit de vegetatie verdwenen. De opheffing langs de randen van het Noordzeebekken, die in het Laat-Mioceen†begint, zet door in het Pretiglien. Behalve het zuidoosten en oosten maakt het grootste deel van ons land gedurende het Pretiglien nog deel uit van de Noordzee.

Het Tiglien - 2,45 tot 1,8 miljoen jaar geleden

De naam Tiglien is afgeleid van de Noord-Limburgse plaats Tegelen. In de kleigroeven in de directe omgeving van deze plaats zijn in het begin van de twintigste eeuw fossielen van opmerkelijke zoogdieren gevonden.

Flora en fauna in de omgeving van Tegelen tijdens het Tiglien zoals gereconstrueerd op het in 1978 dooor B.F.M. Collet vervaardigde schilderij. Het geeft een indruk van de weelderige vegetatie rond een verlaten en dichtgroeiende rivierarm © Naturalis

Het begin van het Tiglien is duidelijk veel warmer dan het voorafgaande Pretiglien. Uit het laatste deel van het Tiglien, ongeveer 1,9 miljoen jaar geleden, zijn aanwijzingen voor extreme koude aangetroffen. In de bovenkant van de kleilagen bij Tegelen komen namelijk resten van vorstwiggen voor, die wijzen op toendra-achtige omstandigheden met een permafrostbodem. Tegen het einde van het Tiglien ligt de kustlijn bijna geheel ten westen en noordwesten van de huidige kust.

Paleogeografische reconstructie van Nederland en directe omgeving tijdens het relatief koude Laat-Tiglien. Langs de randen van het Noordzee Bekken overheerst sedimentatie door de riviersystemen van vooral de Eridanos in het noord-oosten en in mindere mate van Rijn en Maas in het zuidoosten. De kustlijn ligt ten westen van de huidige en bereikt het vasteland alleen bij de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden © TNO-NITG

Het Eburonien - 1,8 tot 1,5 miljoen jaar geleden

Tijdens de ongeveer 300.000 jaar van het Eburonien veranderen de klimaatcondities herhaaldelijk. De zeespiegel ligt enkele tientallen meters lager en de kustlijn ligt ver ten noordwesten van de huidige. Door tektonische oorzaken verlaat de Rijn in het Eburonien de Roerdalslenk en volgt deze rivier een meer oostelijke koers door de Nederrijnse Laagvlakte. Tegen het eind van het Tiglien verlaat ook de Maas het dal van de Oostmaas in Zuid-Limburg en begint deze het dal van de Westmaas te vormen. Door een proces van insnijding en opvulling vormde deze rivier tijdens het Eburonien twee terrassen.

Het Waalien - 1,5 tot 1,2 miljoen jaar geleden

Ook in het Waalien wisselen warme en koude perioden elkaar af. In de Nederrijnse Laagvlakte schuift de Rijn nog verder naar het oosten op, om ongeveer bij Lobith ons land binnen te komen. In Zuid-Limburg vormt de Maas weer een terras. In het huidige Noordzeegebied worden, als gevolg van de sterk naar het westen uitbreidende riviersystemen, ook tijdens het Waalien deltaÔsche afzettingen gevormd.

Het Menapien - 1,2 tot 1,1 miljoen jaar geleden

Het Menapien is de koudere fase direct na het Waalien. Het ontbreken van voldoende goed te dateren afzettingen maakt de paleogeografische situatie uit die tijd moeilijk reconstrueerbaar. Het noorden van ons land bevat aanwijzingen voor koude of glaciale omstandigheden. Het gaat daarbij om sedimenten met noordelijk of Scandinavisch grind en stenen, die als de Hattemlagen bekend staan. Dergelijk grind kan op de nabijheid van landijs wijzen.

Vorstwiggen uit het koude Menapien. De verstoorde grijs-zwart gekleurde bodem is waarschijnlijk tijdens het warme Waalien gevormd © TNO-NITG

Het Bavelien - 1,1 tot 0,85 miljoen jaar geleden

In het Bavelien kunnen twee warme fasen onderscheiden worden. De oudste warme fase is het Bavel Interglaciaal dat direct volgt op het koude Menapien. De bosvegetatie wordt, behalve door de soorten van het gemengde eikenbos, zoals eik, linde, iep en es, vooral gekenmerkt door het voorkomen van de haagbeuk (Carpinus). In de volgende koudere periode, het Linge Glaciaal, overheersen kruiden de vegetatie. Daarna ontwikkelt zich in het Leerdam Interglaciaal weer een gemengd eikenbos, met wederom de haagbeuk als belangrijk element. De opeenvolging van de verschillende boomsoorten tijdens het Leerdam-interglaciaal vertoont veel overeenkomst met die bij de jongere interglacialen. Dit is ťťn van de kenmerken die het Bavelien als overgangsstadium van Vroeg- naar Midden-Pleistoceen typeert. Kruiden domineren de vegetatie van het Dorst Glaciaal aan het eind van het Bavelien.

Ook voor de zoogdieren lijkt het Bavelien een belangrijk keerpunt in de Kwartaire geschiedenis. Kleine zoogdieren immigreren uit EuraziŽ en verspreiden zich dan sterk. Fossiele resten in een kleigroeve bij Dorst lijken op de entree van de steppenmammoet in ons land al tijdens het Bavelien te wijzen. Over de paleogeografie tijdens het Bavelien is nog weinig bekend. In Zuid-Limburg vormt de Maas drie nieuwe terrassen. De Rijnbedding schuift terug naar het westen en de rivier stroomt daardoor weer door de Roerdalslenk en zelfs iets westelijk daarvan. Uit Noord-Nederland zijn geen gegevens over het Bavelien bekend.

Klik hier voor een overzicht van alle perioden uit de algemene geologische tijdschaal.