Samenhang in de natuur | ![]() |

Het konijn is een opvallende diersoort in de duinen. Daar waar de begroeiing niet te hoog is heb je tijdens een wandeling grote kans er een aantal te zien. Vrolijk huppelend over het zand of lekker knagend aan een plantje. Konijnen zijn grazers, dit betekent dat ze van plantaardig materiaal leven. Hun lievelingsmaaltijd is jonge twijgjes van bomen. Doordat de konijnen hier en daar wat opknagen, ontstaat er een gevarieerd landschap. Open plekken worden afgewisseld met gebieden met struiken. Dit is erg gunstig voor de duinhagedis. Hij warmt zich graag op in het zonnetje, maar heeft ook beschutting nodig tegen dreigend gevaar. Met name vogels zijn gek op deze reptielsoort.
Konijnen leggen hun keutels vaak op een vaste plaats. Op een zanderig pad in het open duin, kun je dat goed zien. Deze keutelplaatsen noemt men ook wel 'latrines'. Rondom deze latrines vinden we meestal dezelfde bewoners. Duinvogelmuur is er één van. Het ruw vergeet-mij-nietje zie je er ook dikwijls vlakbij staan. Je kunt dus eigenlijk aan de planten al zien dat er ergens een keutelplaats is.
Er zijn ook een aantal vogels die profiteren van de aanwezigheid van het konijn. De tapuit broedt bijna altijd in verlaten konijnenholen. Deze vogel is te herkennen aan een t- vormige witte vlek op het achterlijf. Ook de bergeend maakt graag een nestje in een konijnenhol. Deze laatste is te herkennen aan een wit verenkleed met roodbruine en zwarte banden. De grijs-witte jongen worden af en toe ondergebracht in een soort 'crèche'. Soms waggelt er een groep met wel tien jongen door de duinen!
