Home

Zoeken

Zoek in 6490 artikelen


    Het Cambrium, Ordovicium en Siluur

    Van deze episode in de Nederlandse geologische geschiedenis is nog relatief weinig bekend. Tijdens de eerste 160 miljoen jaar van het Paleozoïcum bevond Nederland zich op het noordelijk deel van een relatief kleine plaat, Avalonia.

    Tijdsindeling van het Oud-Paleozoïcum en overzicht van de tektonische fasen © TNO-NITG 

    De plaat Avalonia had zich al in het Laat-Cambrium losgemaakt van de grote landmassa Gondwana op het zuidelijk halfrond. Samen met andere kleine platen bewoog Avalonia naar het noorden in de richting van een andere plaat, Baltica. Door botsing van beide platen ontstond in de tussenliggende drukzone een gebergte ter hoogte van Denemarken en Polen. Deze plaatbotsing aan het eind van het Ordovicium luidde een langdurige periode van gebergtevorming langs de plaatranden in: de Caledonische orogenese. Aan de zuidkant van de Avaloniaplaat manifesteerde dit zich door de vorming van de Ardennen. De schaarse gegevens uit onze directe omgeving wijzen erop dat Nederland waarschijnlijk tot en met het Siluur door zee was bedekt.

    In de loop van het Siluur naderde vanuit het westen een derde plaat: Laurentia. Hierop lagen toen onder meer het huidige Schotland, Groenland en delen van Canada. Naarmate Laurentia dichterbij de beide andere platen kwam, nam de samendrukking in dit gebied toe. Daardoor plooiden de tussenliggende sedimentpakketten en kwamen tenslotte omhoog. Ook deze plooiingsfase aan het eind van het Siluur maakte deel uit van de Caledonische Orogenese en resulteerde in de lange gebergteketens van Noorwegen en Schotland. Door latere plaatverschuivingen bevinden zich delen ervan nu in Canada en in het noordoosten van de Verenigde Staten. Aan het eind van het Paleozoïcum was sprake van een unieke situatie. Alle platen waren naar elkaar toegeschoven en vormden samen het supercontinent Pangea.

    Klik hier voor een overzicht van alle perioden uit de algemene geologische tijdschaal.