Home

Zoeken

Zoek in 0 artikelen


    Klei en leem

    Net als grind en zand bestaat leem voornamelijk uit korrelig afbraakmateriaal van gesteenten. Leem bestaat uit grotere deeltjes dan klei. Klei bestaat voor een groot deel uit lutum. Dit is zeer rijk aan plaatvormige kleimaterialen. De grofkeramische industrie gebruikt klei voor de productie van bakstenen en dakpannen, terwijl de fijnkeramische industrie er aardewerk van maakt. Verder vindt klei een toepassing in het ophogen en het onderhouden van dijken.

    Het laagpakket van Gieten 'keileem' © TNO-NITG

    Klei en leem zijn mengsels van silt, klei en zand. Vaak bevatten leem en klei ook schelpen en humus of hout. Buiten eventuele grindcomponenten en organische stof bevat klei minimaal 8 procent lutum en maximaal 75 procent leem (silt). Leem mag hooguit 50 procent zand en 25 procent lutum bevatten. De kwaliteit van grof- en fijnkeramische producten hangt sterk af van de mineralogische en chemische samenstelling van de klei. Verder zijn de hoedanigheid van het kleimengsel en de aard en hoeveelheid van de bijmengsels daarop van invloed. Die hangen weer samen met de manier waarop de klei is afgezet en uit welk gebied het komt. In zeeklei bijvoorbeeld overheersen de kleimineralen illiet en smectiet. Kaoliniet-rijke klei is plastisch en meestal zeer geschikt voor de productie van porselein.

    Voorkomen van klei op geringe diepte op het Nederlandse vasteland © TNO-NITG

    Voorkomen in de Nederlandse ondergrond

    Klei en leem komen op veel plaatsen ondiep in de Nederlandse ondergrond voor. Oudere, bijzonder dikke kleipakketten uit het Tertiair (65 tot 2,6 miljoen jaar geleden) liggen dicht aan de oppervlakte in het uiterste oosten en zuidoosten van ons land. Naar het westen en noorden toe hellen ze naar grotere diepten weg. Pleistocene kleipakketten zijn in ons land meestal dunner dan Tertiaire. In tegenstelling tot mariene Tertiaire kleilagen, zijn de Pleistocene kleien in de Nederlandse ondergrond meestal door rivieren afgezet. In het noorden vinden we vrij lokale voorkomens van dikke, Pleistocene kleipakketten al opvulling van geulvormige dalen. Deze kleien staan bekend als potklei. Ze vertonen een extreem hoog percentage lutum, dat kan oplopen tot negentig procent. In het midden van het land bevinden zich lokaal ook dikke kleipakketten van Laat-Pleistocene ouderdom. Deze zijn dungelaagd en worden afgewisseld door fijne zand- en siltlaagjes. Ze zijn het eindproduct van afsmeltende ijskappen in glaciale bekkens en staan bekend als glaciale bekkenklei.

     

    In smeltwatermeren afgezette kleien van het Laagpakket van Nieuwolda ('Potklei') ter plaatse van een subglaciale erosiegeul gevormd tijdens de Elsterien glaciatie. Bovenin is de klei gelamineerd met dunne zandlaagjes. Naar onder gaat de afzetting over in een compacte donkere klei. Steekboring bij Marum © TNO-NITG

    In het rivierengebied komt veel Holocene klei voor. Dit betreft meestal kalkarme kleipakketten waarvan de dikte tot tien meter kan oplopen. Verder naar het westen en in Groningen en Friesland komen ook kalkrijke kleilagen uit het Holoceen (10.000 jaar geleden tot heden) voor. Die zijn meestal dun en worden afgewisseld door al dan niet schelprijke, mariene zanden en veenlagen.

    Ook in de Noordzee bevinden zich dikke tot zeer dikke Holocene kleipakketten. Dit materiaal komt van oorsprong uit de grote rivieren. Die hebben de fijnste zwevende deeltjes het verst van hun brongebied kunnen vervoeren om uiteindelijk in de Noordzee tot bezinking te komen.

    Oudere Limburgse kleien met een hoog kaoliniet-gehalte zijn vaak zeer geschikt voor de productie van porselein en ander fijnkeramisch aardewerk.