Home

Zware mineralen

Het zand in de Nederlandse ondergrond bestaat voor het grootste deel uit het mineraal kwarts en wat veldspaat. Slechts enkele procenten van het zand bevat andere mineralen. Om deze mineralen te kunnen bestuderen, scheiden we de lichte van de zware. Die laatste groep is met een hoger soortelijk gewicht dan 2,8 zwaarder dan kwarts en veldspaat. Na scheiding worden de zware mineralen geïdentificeerd op basis van hun kenmerken. Met name in fluviatiele sedimenten blijken deze in zeer specifieke associaties voor te komen die ons veel leren over de herkomst van het sediment.

De zware mineralen verdelen we meestal in twee hoofdgroepen. De eerste groep bevat de stabiele mineralen, ook wel de B-associatie genoemd. Hiertoe behoren bijvoorbeeld toermalijn, stauroliet, zirkoon en de metamorfe mineralen, waaronder distheen, andalusiet en sillimaniet. Deze mineralen verweren niet snel. Sediment dat veel van deze stabiele mineralen bevat, heeft dan ook vaak een lange verweringsgeschiedenis ondergaan. In de tweede groep (A-associatie) domineren de instabiele mineralen: granaat, epidoot, alteriet, saussuriet, hoornblende, alsmede mineralen van vulkanische oorsprong, zoals augiet. In de diagrammen van figuur 190, staan de instabiele mineralen van links naar rechts uitgezet en de stabiele mineralen van rechts naar links. De curve voor de restgroep, met onder andere zirkoon, vormt de grens tussen beide groepen.

Zware-mineralendiagrammen van een boring uit Zuid-Nederland (Roggel) en een boring uit Noord-Nederland (Appelscha) © TNO-NITG

In de Rijnsedimenten (Formaties van Waalre en Sterksel) domineren instabiele mineralen sinds het Laat-Plioceen(3,6 tot 2,6 miljoen jaar geleden). Hun brongebieden liggen in de kristallijne gesteenten van Zuid-Duitsland en de Alpen. Dit is ook het geval met de zware mineralenassociaties van de Formatie van Urk. Deze Rijnsedimenten bevatten daarnaast echter opvallend veel vulkanische mineralen, afkomstig van de vulkanen die in het Midden-Pleistoceen (850.000 tot 130.000 jaar geleden) in de Eifel actief waren. Het sediment van het Eridanos-riviersysteem bevat veel metamorfe mineralen. Die zijn afkomstig van het verweerde dekmateriaal op de oude kristallijne massieven in Scandinavië en het Duitse Middengebergte. Kleine hoeveelheden van bepaalde zware mineralen kunnen al indicatief zijn voor een bijzondere herkomst, zoals topaas dat relatief veel voorkomt in de brongebieden van het Laagpakket van Weerdinge (Formatie van Appelscha). De mariene afzettingen van de Formaties van Maassluis en Oosterhout bevatten relatief veel hoornblende. Dit mineraal is kenmerkend voor deze ondiepe mariene afzettingen. Dat heeft mogelijk te maken met een selectieve aanrijking van dit mineraal door golven en getijstromingen in een ondiepe shelfzee.

Meer weten?

Klik voor meer informatie over mineralen op een van de volgende artikelen.

Bouwstenen van gesteenten: mineralen

Determinieren mineralen

Gesteentevormende mineralen