Home

Eerste leven op land

De bezetting van het land door levende wezens kwam moeizaam op gang. Telkens verschenen complexere organismen ten tonele. Al meer dan ťťn miljard jaar geleden leefden schimmels op land. Zij vormden met algen samen korstmossen, waardoor organische koolstof vrijkwam. Door verwering en opslag van deze organische koolstof nam het zuurstofgehalte in de atmosfeer toe. In combinatie met een afnemende hoeveelheid koolstofdioxide heeft dit misschien tot een reductie van het toenmalige broeikaseffect geleid.

Een vroege bezetting van het land door levende wezens verklaart ook de Cambrische explosie van gefossiliseerde levensvormen. Door het landleven verweerden de rotsen sneller, waardoor calcium vrijkwam. Dit was nodig voor de bouw van skeletten. De harde skeletdelen van zeedieren werden fossiliseerbaar zodat de al zeer grote diversiteit van het toenmalige zeeleven via fossielen zichtbaar werd. Vermoedelijk waagde het zeeleven zich in het Vroeg-Siluur(440 tot 430 miljoen jaar geleden) al regelmatig op het land, getuige het spoor van een anderhalve meter lange zeeschorpioen in afzettingen van 430 miljoen jaar oud, in West-Australie. Deze grote vleeseter was vermoedelijk op zoek naar kleinere geleedpotigen, molluscen, of gastropoden, die zich boven de vloedlijn schuil hielden voor roofdieren. De grote omvang van deze dieren zou erop kunnen wijzen dat de eerste complexe landwezens al eerder leefden.

Stengel- en bladafdrukken van Carboonplanten. Linksboven: Sigillaria Mamillaris; rechtsboven: Pecopteris volkmanni; linksonder: Mariopteris acuta epeniana; rechtsonder: Eusphenopteris cf. obtusiloba. Alle afgebeelde fossielen zijn afkomstig uit de Jongmanscollectie. © Naturalis

Omstreeks 425 miljoen jaar geleden verschenen de eerste echte vaatplanten op het land: Rhyniophyten en Wolfsklauwen. Vanuit deze voorlopers ontwikkelde zich het plantaardige leven in het Devoon(410 tot 354 miljoen jaar geleden) tot een flora die in diversiteit leek op de huidige, zij het zonder bloemplanten of Angiospermen. Grotere planten konden ontstaan door de vorming van hout, blad en uitgebreide wortelstelsels. Zij waren uitstekend toegerust om het dorre land verder van vegetatie te voorzien. Ook ontstonden er zaden. Daardoor was een toekomstig plantje al aan het begin van zijn ontwikkeling voorzien van vocht en voedingsstoffen. Zo begroeide een relatief droge omgeving toch snel. Via de wortelstelsels van deze grote planten kon veel organische koolstof in de bodem worden opgeslagen. Dit kan een verklaring zijn voor de sterke afname van het CO2- gehalte in de lucht en de gelijktijdige toename van het zuurstofgehalte tegen het einde van het Devoon. In die periode zien we ook de eerste gewervelde viervoeters aan land komen.

Meer weten?

Klik voor meer informatie over het eerste leven op een van de volgende artikelen.

Het ontstaan van het leven

De eerste Nederlanders