Biotoop:
|
Drijvende ijsvelden en ijsschotsen (het leefgebied van verschillende soorten zeehonden) en kustgebieden binnen de noordpoolcirkel (waar in de zomer besdragende heide groeit en waar 's winters een dik paksneeuw ligt om te overwinteren). |
Verspreidingsgebied:
|
Het kustgebied van de Noordelijke IJszee; dat zijn dus de eilanden en de randen van het drijfijs rondom de noordpool |
| Paartijd: |
De dieren paren meestal in april. |
Voortplanting:
|
IJsberinnen kunnen als ze vier jaar zijn zelf jongen krijgen; mannelijke ijsberen pas met een jaar of zeven. In de herfst graaft een drachtig vrouwtje een sneeuwhol, waarin ze overwintert. Ze teert de hele winter op haar vet en eet af en toe wat sneeuw. In december worden een of twee jongen geboren, die maar 30 centimeter groot en volkomen hulpeloos zijn. De rest van de winter zoogt de moeder haar jong(en), zonder zelf te eten! In maart komt het gezin naar buiten. De jongen wegen dan ongeveer tien kilogram |
Voedsel:
|
Jongen drinken melk bij de moeder. Een volwassen ijsbeer eet vooral zeehonden. Hij slaat de zeehond met zijn sterke klauw uit het water als hij boven komt om te ademen. Soms stampt de ijsbeer het dak van een sneeuwhol kapot om de zeehond in dat hol te vangen. In de zomer eten ijsberen lemmingen, zalmen en allerlei bessen |
Bedreiging:
|
De ijsbeer is in de natuur niet bedreigd, hoewel de bedreiging toeneemt. De soort is gevoelig voor vervuiling. Als er zich gifstoffen ophopen in vissen, komen die in nog grotere hoeveelheden terecht in zeehonden (omdat die vis eten). De ijsbeer eet zeehonden en krijgt dan dus nóg meer gif in zijn lijf. Een tweede risico is de opwarming van de aarde, waardoor het noordpoolijs kleiner wordt |