Coloborhynchus spielbergi |
De vliegende sauriër Coloborhynchus robustus, die al sinds 1998 te zien is in Naturalis, blijkt van een andere, nieuwe soort. Paleontoloog A.J. Veldmeijer heeft vastgesteld dat het fossiel op details afwijkt van andere exemplaren en dus als nieuwe soort moet worden beschreven. Hij heeft het dier vernoemd naar Steven Spielberg, Coloborhynchus spielbergi.
In de 18de eeuw werd een merkwaardig skelet gevonden waar men geen raad mee wist. Het had een lange snuit met tanden, klauwen aan de handen en voeten en lange, dunne armbeenderen. Het skelet zat op een plaat kalksteen uit één van de groeves uit de Altmühlalb, een gebied in Beieren, Duitsland. De natuuronderzoeker Collini bestudeerde het en vergeleek het met recente dieren, maar het leek nergens op. In tegenstelling tot bij voorbeeld professor Blumenbach uit Göttingen meende Collini dat het geen vogel was. Hij vond juist meer overeenkomsten met een vleermuis. Op grond van Collini's afbeelding en beschrijving van het fossiel, kwam Georges Cuvier, de grondlegger van de paleontologie, in 1801 tot de conclusie dat het een reptiel moest zijn. In 1809 gaf hij het de naam Pterodactylus, wat zoveel betekent als vliegvinger. Sindsdien zijn vliegende reptielen op alle continenten gevonden.
Coloborhynchusspielbergi
'Citroenen' voor knollen
In 1992 bood een fossielenhandelaar het Nationaal Natuurhistorisch Museum een paar knollen aan uit Brazilië. Er zouden botten van een vliegend reptiel inzitten. De knollen van 113 miljoen jaar oud kwamen uit de zogenaamde Santana Formation uit het midden Krijt. Om te zien hoeveel bot er aanwezig was werd in het Academisch Ziekenhuis Leiden een röntgenfoto van de knollen gemaakt. Het resultaat was verbluffend. Het skelet was bijna compleet! Hier waren dus citroenen voor knollen verkocht. In het Duitse Darmstadt werden de botten voorzichtig uit de knollen geprepareerd en de losse botten werden op een ijzeren frame gemonteerd. Op die manier konden ze altijd nog één voor één bestudeerd worden.
Fossiel met kiel
In eerste instantie werd het skelet Tropeognathus robustus gedoopt. Tropeo staat voor kiel, zoals onder een schip en gnathus betekent kaak. Robustus tenslotte is groot. Dus een groot vliegend reptiel met een kiel onder de kaak. Van dit dier was slechts één onderkaak bekend en beschreven. Het fossiel in het Nationaal Natuurhistorisch Museum is vrijwel compleet en bovendien één van de weinige waarvan ook het bekken in zijn geheel bewaard is. Bestudering van de onderkaak leerde dat het veel overeenkomst vertoonde met een eerder beschreven stuk van een onderkaak dat in Engeland gevonden was. Dit stuk had de naam Coloborhynchus gekregen. Aangezien deze naam wetenschappelijke prioriteit heeft boven Tropeognathus, werd het fossiel van het Nationaal Natuurhistorisch Museum Coloborhynchus robustus gedoopt. Het fossiel is echter opnieuw bestudeerd door de paleontoloog Andre Veldmeijer, en nu zeer gedetailleerd. Na vergelijking met exemplaren van Coloborhynchus robustus uit verschillende collecties, kwam hij tot de slotsom dat hij met een nieuwe soort te maken had. Veldmeijer doopte Coloborhynchus robustus om in Coloborhynchus spielbergi.
Vliegende reptielen
In het Mesozoïcum, van 250 miljoen tot 65 miljoen jaar geleden, regeerden de reptielen. Er waren dinosauriërs op het land, ichthyosauriërs in zee en vliegende reptielen in de lucht. Die vliegende reptielen waren waarschijnlijk net zo gevarieerd als de vogels van nu. Er waren vliegende reptielen ter grootte van een mus, maar ook kleine 'zweefvliegtuigjes' met een spanwijdte van meer dan tien meter. De Coloborhynchus van het Nationaal Natuurhistorisch Museum heeft een spanwijdte van 6 meter.
Coloborhynchus spielbergi
De aard van het beestje
Over het leven van vliegende reptielen bestaan vele theorieën. Maar veel vragen wachten ook nog op een antwoord: Hoe stegen ze op, hoe hebben ze gelopen, wat hebben ze gegeten?. Vanwege de bijzondere bouw van de boven- en onderkaak van Coloborhynchus denkt men dat het een viseter was. De kiel zou hebben geholpen om de bek stabiel door het water te kunnen ploegen tijdens het vangen van vis.