Zeegras | ![]() |

Groot zeegras is een zaadplant die in zee leeft. Het is dus geen wier. Hij groeit op plaatsen die zelden droogvallen en waar geen sterke stroming staat. Voor 1930 waren er uitgestrekte zeegrasvelden in de Zuiderzee en Waddenzee. Die waren van groot belang voor de wadfauna en voor gebruik door mensen. Vanaf de middeleeuwen is samengeperst zeegras gebruikt om er steile zeedijken mee te bouwen: wierdijken. Maar inpolderingen en een plantenziekte maakten een eind aan de grote zeegrasvelden. Nu wordt zeegras nog slechts plaatselijk gevonden in de Waddenzee en het deltagebied. Sinds 1993 worden er experimenten gedaan om het opnieuw te introduceren.
Biotoop op zich
Zeegrasvelden vormen een biotoop op zich. Ze zijn voor veel dieren van belang. Smienten, rotganzen, knobbelzwanen en meerkoeten begrazen de velden. Door het verdwijnen van de grote zeegrasvelden zijn veel van deze vogels aan de andere kant van de dijk, op het boerengrasland, gaan foerageren. Ook de zeepissebed voedt zich met groot zeegras. Zeenaalden zijn vissen die het best gedijen in zeegrasvelden. Verder zijn zeegrasvelden van belang als kinderkamer voor jonge vissen.
Zeegras heeft helder zeewater nodig om voldoende licht te krijgen voor fotosynthese. Dat heldere water is vaak voedselarm. Om toch voldoende voedingsstoffen op te kunnen nemen, heeft de plant een uitgebreid wortelstelsel waarmee het de voedingsstoffen uit de zeebodem kan halen. Vertroebeling van het water door eutrofiëring of het opwervelen van deeltjes door veranderende waterstromingen kan leiden tot het verdwijnen van de soort op bepaalde plaatsen. Wanneer er meer voedingsstoffen in het water voorkomen krijgen algen en wieren een betere concurrentiepositie ten opzichte van zeegras omdat deze geen energie hoeven te steken in een wortelstelsel. En als er meer algen in het water voorkomen is er minder licht beschikbaar voor het zeegras. Daarnaast maakt zeegras bij een grotere aanvoer van meststoffen meer blad en minder wortels, waardoor de plant sneller losslaat bij stormen.
De wierziekte
Tot 1932 was alleen al in de Nederlandse Waddenzee meer dan 150 vierkante kilometer (15.000 hectare) bedekt met zeegras, ook in de rest van het waddengebied was een grote oppervlakte bedekt met zeegras. In 1932 kreeg het zeegras te maken met een infectieziekte. Deze werd waarschijnlijk veroorzaakt door de schimmel Labyrinthula zosterae die zowel de bladeren als de wortelknolletjes kan aantasten. De wierziekte trof een jaar eerder vrijwel alle velden groot zeegras langs de Atlantische Oceaan, zowel aan de West-Europese als Noord-Amerikaanse kant. De smalbladige, in de getijdenzone levende vorm van groot zeegras, bleef grotendeels van wierziekte verschoond en op klein zeegras had de epidemie geen vat. In de loop van de jaren veertig van de vorige eeuw begon groot zeegras zich in het buitenland van de epidemie te herstellen.
In de Nederlandse Waddenzee heeft het zeegras zich jarenlang niet van de wierziekte kunnen herstellen. Het oppervlakte zeegras in de Nederlandse Waddenzee was nog geen vierkante kilometer in totaal. Groot zeegras was alleen te vinden in het havengebied van West- Terschelling en op de Hond/Paap in het Eemsmondgebied. Klein zeegras kwam voor bij Terschelling en op drie plaatsen langs de Groningse kust. Eind 1996 kwam hier verandering in toen langs de Groningse kust, tussen Lauwersoog en de Eemshaven, weer groot zeegras werd aangetroffen. Dit kan betekenen dat in de toekomst de voor de Waddenzee zo kenmerkende zeegrasvelden weer terug kunnen komen.
Sommige biologen nemen aan dat het verdwijnen van zeegras het gevolg was van een combinatie van factoren. De zomers van 1931 en 1932 waren extreem somber. Bovendien kwam de Afsluitdijk gereed. Het storten van zand en klei verhoogde de troebelheid van het waddenwater. Door de combinatie van relatief weinig zonlicht en troebelheid kwam er mogelijk te weinig zonlicht op de bladeren van het groot zeegras terecht. De afsluiting van de Zuiderzee had bovendien een nieuw stromingspatroon in de Waddenzee tot gevolg, waardoor erosie en sedimentatie de groei van het zeegras verstoord kunnen hebben. Ook de vervuiling van het water (giftige stoffen en eutrofiëring) heeft waarschijnlijk bijgedragen aan het verdwijnen van de zeegrasvelden.
In het deltagebied heeft de infectieziekte minder sporen nagelaten. In de Grevelingen groeide voor de afsluiting in 1971 ongeveer 1000 hectare aan velden groot zeegras. Na het dichten van de dam breidden de velden zich explosief uit, wellicht door de toegenomen beschutting door het wegvallen van de getijdenwerking en de grotere helderheid van het water. In 1978 hadden de zeegrasvelden in de Grevelingen een gezamenlijke oppervlakte van 4000 tot 5000 hectare. Daarna ging het bergafwaarts en de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw geven grote schommelingen in de begroeide oppervlakten te zien. De oorzaken daarvan zijn niet duidelijk.
Wiervisserij

Vroeger werd zeegras gebruikt als compacte vezelige massa om dijken te bouwen. In die tijd maaide men de zeegrasvelden en ook drijvend materiaal werd opgevist. Deze visserij werd wiervissen genoemd. De oudste meldingen van wiervisserij dateren van omstreeks 1300. Eeuwenlang was de wiervisserij voor de bewoners van de waddenkust een belangrijke bron van inkomsten. In wierschuren werd het zeegras gedroogd. Vooral op Wieringen werd veel zeegras verwerkt. Walvisvaarders gebruikten balen zeegras als stopmiddel tegen lekken. Verder werd zeegras gebruikt als vulmiddel voor matrassen en kussens. Een snufje zeealsem zorgde ervoor dat vlooien vertrokken. Na het verdwijnen van het zeegras uit de Waddenzee na 1932 is de wiervisserij als middel van bestaan op de eilanden verdwenen.
Herintroductie van zeegras in de Waddenzee
Experimenten met het opnieuw aanplanten van zeegras in de Waddenzee leveren tot nu toe weinig resultaat op. Men vestigt de hoop op het steeds helderder en schoner worden van het waddenwater. Ook de eutrofiëringsgraad, het zoutgehalte van het water en de visserij zijn factoren die meespelen bij het voorkomen van zeegras.
Bij Alterra Texel (nu IMARES) werden overlevingsexperimenten verricht met zeegrassen van verschillende herkomst. Het bleek dat de zeegrassen van het Duitse waddeneiland Sylt het sterkst waren. In 1993 zijn daarom tienduizenden scheutjes groot en klein zeegras uit de omgeving van Sylt in de Nederlandse Waddenzee uitgezet op het Balgzand, bij Texel en bij Terschelling. De plantjes bij Texel sloegen niet aan. Op de twee andere plaatsen groeit wel wat zeegras, maar erg goed zag het er twee jaar na de aanplant niet uit.
In 2002 en 2003 zijn pogingen gedaan door onderzoekers van de Katholieke Universiteit Nijmegen om groot zeegras te herintroduceren. In 2002 mislukte het experiment gedeeltelijk, doordat de plantjes op de verkeerde diepte waren geplant. Op het Balgzand werd tijdens het planten wel klein zeegras aangetroffen, waarschijnlijk nazaten van het experiment in 1993. In 2004 meldde Rijkwaterstaat dat in 2003 een flink aantal (bijna 800) planten was opgekomen, afkomstig van een eerder uitzaai-experiment uit 1999 op het Balgzand. Deze populatie overleefde al vier seizoenen, maar had zich nog niet eerder zo uitgebreid.
Weblinks
Informatie over de vroegere zeegras-cultuur op Wieringen:
http://www.pagowirense.nl/wr-ges5-2.asp.
Recente informatie over zeegras is te vinden op
http://www.zeegras.nl/
Tentoonstelling in 2006 over wierwinning:
http://www.museumjanlont.nl/
Namen:
Ned: Groot zeegras
Lat: Zostera marina
Eng: Eelgrass (grass-wrack)
Dui: Gemeines Seegras (Großes Seegras, Gewöhnliches Seegras)
Dan: Havgræs (almindelig bændeltang)
Namen:
Ned: Klein zeegras
Lat: Zostera noltii
Eng: Eelgrass
Dui: Zwerg-Seegras (Kleines Seegras)
Dan: Havgræs (dværg-bændeltang)
Bron: de Vleet, Ecomare
