Home

Zoeken

Zoek in 6490 artikelen


    Wieren

    Verschillende wieren - Foto Sytske Dijksen - © Foto Fitis, www.fotofitis.nl

    Hoewel wieren vaak op planten lijken, worden ze toch niet tot de planten gerekend omdat ze inwendig eenvoudiger van opbouw zijn. Wieren hebben geen echte organen zoals bladeren, stengels, wortels en bloemen. Daarom wordt voor wieren de term 'thallus' in plaats van 'plant' gebruikt. Wieren vormen vegetaties in ondiepe kustwateren, meestal op rotskusten en dijken. Het thallus is taai en buigzaam waardoor de branding weinig grip op wieren heeft.

    Het belangrijkste verschil tussen wieren en planten is de verschillende vorm van voortplanting. Bij wieren is de ongeslachtelijke fase veel prominenter dan bij de 'hogere planten'. Bij de bloemplanten is de levenscyclus het eenvoudigst. De plant is de geslachtelijke fase, de ongeslachtelijke fase heeft alleen een korte levensduur binnen de bloem. Bij wieren komt veel meer variatie in levenscyclus voor. Bijna altijd is de ongeslachtelijke fase een apart thallus, soms ontbreekt de geslachtelijke fase bijna helemaal. Bij roodwieren bestaat de levenscyclus zelfs vaak uit twee ongeslachtelijke en één geslachtelijke vrijlevende fase.

    Wieren worden verdeeld in drie hoofdgroepen: groenwieren, bruinwieren en roodwieren. De ' blauwwieren' vallen niet onder de wieren maar worden tot de bacteriën gerekend. De indeling op kleur houdt verband met de kleur van de stof voor fotosynthese die in de hoogste concentratie aanwezig is.

    Wieren kunnen allerlei verschillende vormen hebben: draadvormige soorten zoals visdraad en veterwier, vertakte soorten zoals hoorntjeswier, bladvormige wieren zoals zeesla en purperwier en meer ontwikkelde vormen zoals zee-eik en suikerwier. Sommige wieren zoals knotswier en blaaswier hebben drijfblazen, waardoor deze soorten onder water rechtop staan. Om zich bij laag water tegen zon en wind te beschermen produceren wieren slijm, dat uitdroging voorkomt.

    De vermenigvuldiging van wieren gebeurt over het algemeen door middel van microscopisch kleine sporen. Deze sporen maken enige tijd deel uit van het fytoplankton en worden zo door het water verspreidt. Na verloop van tijd hecht een spore zich op een plek met voldoende licht vast en groeit uit tot een volwassen wier. De meeste wieren zijn éénjarig, sommige soorten kunnen meerdere jaren oud worden.

    Door toename van stikstof in het milieu kunnen groenwieren zich zo uitbreiden dat op het wad soms dekens van groenwieren te vinden zijn. Onder deze dekens stikken zeedieren.

    Waar komen wieren voor?

    Op de rotskusten van Engeland, Schotland en Noorwegen groeit een rijke wierflora. In Nederland bestaan alleen kunstmatige rotskusten in de vorm van de dijken, strekdammen en havenhoofden.

    Vooral in het deltagebied is een rijke wierflora aanwezig. Voorwaarde is dat de dijken zijn opgebouwd uit ruwe steensoorten. Gietasfalt en basalt raken maar moeilijk begroeid. Op de dijkhellingen zijn vaak duidelijke zones te zien, elk met een andere wierbegroeiing. In de zone onder de laagwaterlijn (de sublitorale zone) komt bijvoorbeeld suikerwier voor. De zone tussen de laagwaterlijn en de hoogwaterlijn noemt men de litorale zone. In de laag-litorale zone komen gezaagde zee-eik, Iers mos en hoorntjeswier voor. In de midden-litorale zone vind je blaaswier of knotswier. Hoog in de litorale zone (net onder de vloedlijn) groeit kleine zee-eik, en in de spat- of supralitorale zone komt klein darmwier voor. Nog hoger bevindt zich dan de zone van de korstmossen. Deze zonering ontstaat doordat elke wiersoort in verschillende mate bestand is tegen uitdroging.

    Op pontons in havens, in kanalen met zout water en in zoutwatergebieden waar geen getijwerking bestaat, zoals de Grevelingen, komen ook wieren voor. Men treft er over het algemeen dezelfde soorten aan als in getijdengebieden maar wel in andere verhoudingen. Zandkusten zijn niet geschikt voor de vestiging van wieren. Het zand is teveel in beweging en biedt daardoor geen houvast. Alleen op wadplaten met geringe stroming kunnen soorten als zeesla en darmwier voorkomen. Op kwelders komen enkele wiersoorten voor die speciaal aan dit milieu gebonden zijn, zoals schorpioenwier.

    Niet alle vastzittende wieren zijn inheems. Het Japans bessenwier is een voorbeeld van een soort die van ver is gekomen, maar het hier goed doet. Bij harde wind of ijsgang kunnen zeewieren van hun ondergrond worden losgetrokken. Op de Nederlandse kust spoelen niet alleen wieren aan die elders op onze kust groeiden. Ook wieren die aan andere kusten los raken kunnen hier terecht komen. Zo spoelt Riemwier regelmatig aan op het strand, maar groeit niet in Nederland. Veel wieren die op het strand liggen, zijn afkomstig van de Franse, Engelse of Noorse kust en hebben een maandenlange zeereis achter de rug.

    Weblink

    Ierse site (met uitgebreide database) over zeewier:
    http://seaweed.ucg.ie/

    Meer over algen en wieren:
    http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i002687.html.

    Mooie foto's van algen (ga naar 'search images')
    http://www.algaebase.org/

    Bron: de Vleet, Ecomare