Wadslakjes | ![]() |

Wadslakjes komen massaal voor op het wad en de Zeeuwse slikken. Ze zijn klein, maar belangrijk. Ze worden door veel dieren in de getijdengebieden gegeten. De ontlasting van deze slakjes kit het zand en slik aan elkaar en zorgt ervoor dat de bodem niet wegspoelt. Wadslakjes kunnen kruipen en drijven. Bij hoog water maken ze een slijmbelletje aan de onderkant van het schelpje, waarmee het slakje ondersteboven aan het oppervlak met de wind en golven mee drijft.
Kenmerken
| afmetingen: | tot 8 millimeter groot |
| kleur: | lichtbruin tot grijsgroen, wit-grijs als ze dood zijn |
| leeftijd: | 1 tot 2 jaar |
| voedsel: | zeesla, darmwier en algen van de wadbodem |
| vijanden: | wadvogels, zoals eenden |
| voortplanting: | geslachtelijk |
Verspreiding en habitat
Op het wad en in de deltagebieden tot 20 meter diepte. Wadslakjes kunnen goed tegen brak tot bijna zoet water, zodat je ze heel ver landinwaarts kunt vinden. De hoeveelheid wadslakjes op het wad kan wel oplopen tot 200.000 per vierkante meter.
Soms vind je aan dijkvoeten in het waddengebied hele banken van het "grijze gruis". Dit is niet zomaar rommel, kijk er maar goed naar. Als je er met je neus bovenop zit, zie je dat het om duizenden wadslakschelpjes gaat. De pechvogels zijn het slachtoffer van de wind, die ze bij ondiep water tegen de kant heeft geblazen.
Namen:
Ned: Wadslakje (brakwaterhorentje)
Lat: Hydrobia ulvae (Peringia ulvae)
Eng: Laver spire shell
Dui: Wattschnecke
Dan: Stor dyndsnegl (muddersnegl)
