Home

Zoeken

Zoek in 6527 artikelen


    Vochtig duingebied tussen West aan Zee en Formerumer bos

    Duinen op Terschelling - Foto Jan Pieter Kok

    Tussen het nogal droge duingebied ten westen van de Badweg van West-Terschelling naar West aan Zee (paal 8), en het Formerumer bos ten noorden van Formerum ligt een oud duingebied.

    Karakter

    Omdat de eilanders dit gebied in het verleden wat minder hebben geëxploiteerd dan de meer oostelijke duingebieden, is het redelijk gaaf gebleven. Het is een paraboolduinengebied, van secundaire vorming dus. Er zijn grote, vochtige duinvalleien gevormd, die er nu nog te vinden zijn, vooral langs de kust. Verschillende valleien zijn moerassig (zoals het Waterplak). Enkele natte duinvalleien uit het gebied zijn: het Badhuiskuil, het Stenneplak en het Waterplak. Het afwateringsstelsel is nauwelijks meer in gebruik, af en toe wordt nog water uit de natte duinvalleien afgevoerd.

    Secundaire duinvorming

    In tegenstelling tot primaire duinvorming, waarbij nieuwe duinen uit vers zand op strandvlaktes worden gebouwd, is secundaire duinvorming een soort tweedehands bouwen van duinen. Of eigenlijk een verbouwen. Er vindt een verstuiving en deformatie, en daarmee een verplaatsing, van bestaande duinen plaats. Deze bestaande duinen kunnen van primaire vorming zijn, of al eens eerder een deformatie ondergaan hebben. Bij vervorming van duinen, worden 'nieuwe' duinen gevormd; mineraalrijker zand komt naar de oppervlakte; het duingebied verjongt zich.

    Het proces van secundaire duinvorming wordt in gang gezet door aantasten van het vegetatiedek. De wind krijgt (opnieuw) vat op het zand en zal het doen verstuiven. Verschillende duinvormen en valleivormen kunnen hierbij ontstaan. Het begin is een stuifkuil: een ellipsvormige holte, die door de overheersende zuidwesten winden meestal (zuid)west-(noord)oost is gericht. Het secundaire zandverstuiven haalt bij lange na niet de omvang van het primaire zandverstuiven op het strand. De strijklengte (de afstand waarover de wind vrijelijk zijn gang kan gaan) is in een stuifkuil enorm veel korter dan op een strandvlakte. Daarnaast remmen de omliggende duinen de wind af, zodat hij slechts met vlagen aan verstuiving kan werken.

    Wanneer de verstuiving heel plaatselijk is, en een ander deel van het duin door vegetatie wordt vastgehouden, kunnen de vervormingen grillig zijn.

    De duinen die aan de zeereep in primaire toestand tot zo'n tien meter hoog werden, kunnen nu (veel) grotere hoogtes bereiken.

    Secundaire valleien

    Bij ongehinderd verstuiven van zand ontstaan kuilen. Dit uitstuiven kan doorgaan tot het grondwaterniveau is bereikt; het natte zand is te zwaar om door de wind meegenomen te worden. Bij verder verstuiven breidt de kuil zich in horizontale richting uit. Wat er tenslotte ontstaat zijn uitblazingsvalleien of secundaire valleien. De uitblazingsvalleien zijn enkelvoudig en breiden zich in de richting van de heersende wind uit. Ze krijgen daardoor een langgerekte vorm. Wanneer uitstuiving optreedt in een droge periode (de kuilen kunnen dan flink diep worden), dan ontstaan bij stijging van het grondwater natte valleien of zelfs duinmeertjes.

    Paraboolduinen

    In de loop der jaren kunnen de valleien steeds verder uitgestoven raken, met aan de lijzijde (de niet-wind kant) en de zijkanten duinruggen. Ze krijgen de vorm van een hoefijzer of een U-vorm. De zo geëvolueerde duinen heten paraboolduinen. Sinds de mens het duingebied is gaan vastleggen, krijgt secundaire duinvorming weinig kans meer. In Zandvoort (Noord-Holland) is in 1998 een 375 meter breed fossiel paraboolduin weer ontdaan van alle begroeiing, zodat het zand op natuurlijke wijze kan stuiven. Het experiment lijkt vijf jaar later zeer geslaagd: allerlei bijzondere planten en dieren laten zich weer zien.

    Bron: de Vleet, Ecomare