Sluizen | ![]() |
![]() Een sluis is een waterkering tussen twee wateren met verschillende waterstand. Een sluis die aan één kant kan worden afgesloten heet een keersluis en wordt alleen gebruikt voor het regelen van de waterstand. Een sluis die aan twee kanten kan worden afgesloten heet een schutsluis en wordt ook gebruikt om schepen van het ene naar het andere water te laten varen. Onderwerpen: Schutsluizen |
Schutsluizen

Een schutsluis vormt de verbinding tussen twee waterwegen die niet op hetzelfde niveau liggen. Het niveauverschil wordt het verval genoemd. Het verval kan enkele tientallen centimeters bedragen, maar ook (bijvoorbeeld bij het binnenvaren van sommige IJsselmeerpolders) meer dan vier meters. Een schip vaart de sluis binnen, waarna de schutdeuren worden gesloten. Daarna wordt er water in of uit de sluis gelaten tot het andere waterniveau is bereikt, waarna de volgende deuren kunnen worden geopend. Dit type sluizen heet een enkelkerende sluis. Wanneer een schutsluis een verbinding vormt tussen binnenwater en open zee (waarbij de zee zowel hoger als lager als het binnenwater kan staan) wordt de sluis 'dubbelkerend' uitgevoerd, zodat de deuren zowel bij hoog- als bij laagwater het water tegenhouden. De eerste schutsluis is vermoedelijk in de eerste helft van de 13e eeuw door Nederlanders ontwikkeld.
Uitwateringssluizen (zijlen)

Een uitwateringssluis moet overtollig binnenwater afvoeren en buitenwater tegenhouden. Bekende uitwateringssluizen zijn die in de Afsluitdijk bij het IJsselmeer. Het IJsselmeer wordt constant gevoed met zoet water vanuit de IJssel, de Vecht en de Eem en door regenwater. Om overtollig water weg te kunnen laten lopen wordt water gespuid als het in de Waddenzee laagwater is. In de Afsluitdijk zijn in totaal 25 uitwateringssluizen aangelegd. Volgens hetzelfde principe wordt er bij Lauwersoog water uit het Lauwersmeer in de Waddenzee gespuid. Andere uitwateringssluizen vind je in polders die in rivieren of in de zee lozen. Voor de waterhuishouding zijn uitwateringssluizen veruit het belangrijkste type sluis.

In Groningen en Noord-Overijssel heet een sluis een zijl. Vaak gaat het om uitwateringssluizen die water in zee lozen en hoogwater keren. Veel plaatsnamen danken hun naam aan zo'n sluis, zoals Delfzijl, Termunterzijl, Noordpolderzijl en Dokkummer Nieuwe Zijlen. In het Fries heet een sluis een een syl. In Oost-Friesland (Duitsland) eindigen om dezelfde reden veel plaatsnamen op -siel, zoals Bensersiel, Harlesiel en Neuharlingersiel.

Een uitwateringssluis die onder de dijk doorduikt heet een duikersluis. Deze duikersluizen zijn in Nederland al bekend uit de Romeinse tijd, toen ze bestonden uit een uitgeholde boomstam met een klep ervoor, waardoor het water er wel uit maar niet in kon stromen. In Friesland wordt het woord 'pomp' gebruikt voor een duikersluis.
Spuisluizen
Spuisluizen hebben als functie om het dichtslibben van waterwegen te voorkomen, maar komen tegenwoordig nauwelijks meer voor. Baggerschepen hebben de functie overgenomen. Achter de sluis bevindt zich een spuikom, die tijdens vloed met water wordt gevuld. Wanneer tijdens eb de sluis open wordt gezet spoelt het water met grote kracht het slib weg dat op de bodem ligt. Hierdoor blijft de waterweg op diepte voor de scheepvaart. De enige sluis die nog duidelijk een spuikom heeft is het sluiscomplex Nieuwe Termunterzijl bij Termunterzijl. De sluizen die tegenwoordig spuisluizen worden genoemd zijn eigenlijk uitwateringssluizen.
Overige sluizen
Andere sluizen zijn inundatiesluizen, damsluizen, ontlastsluizen, inlaatsluizen, keersluizen en irrigatiesluizen. Inundatiesluizen werden in oorlogstijd open gezet om snel land onder water te kunnen zetten. Toen er nog geen vliegtuigen waren was dit een doeltreffende verdedigingsstrategie (Hollandse Waterlinie). Damsluizen zorgen ervoor dat het water in de ondergelopen gebieden niet ergens anders heen kan stromen. Ontlastsluizen zorgen in noodgevallen dat water uit een gebied weg kan stromen. Inlaatsluizen zijn het tegenovergestelde van uitwateringssluizen: ze dienen ervoor om in droge polders water binnen te laten. Keersluizen zorgen ervoor dat het waterniveau achter de sluis op een gewenst peil kan blijven. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt om overstromingen tegen te gaan of om het waterpeil in de haven niet te laag te laten worden. Tenslotte zijn er nog irrigatiesluizen die dienen om water over landerijen te laten lopen.
Stuwen
Een stuw zorgt ervoor dat het waterpeil achter de stuw wordt verhoogd. Stuwen worden gebruikt om de grondwaterstand op peil te houden of om kanalen of vaargeulen diep genoeg te houden. Ook kunnen stuwen worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit of voor de drinkwatervoorziening.
Bronnen
Arends, G. J. (1994). Sluizen en stuwen: de ontwikkeling van de sluis- en stuwbouw in Nederland tot 1940. Delft, Delftse Universitaire Pers.
Hoep, F. S. (2000). Holland kompas: 2000 jaar watergeschiedenis. Haarlem, Communicatie Bureau Hoep & Partners.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Oost-Friesland
http://nl.wikipedia.org/wiki/Siel
http://www.tuttel.com/natuur&landschap/4o.html
Schroor, M. (2000). Van Middelzee tot Bildt: landaanwinning in Fryslân in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Abcoude, Uniepers.
Van de Ven, G. P. (1993). Leefbaar laagland: geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland. Utrecht, Uitgeverij Matrijs.
Vandermissen, H. (1998). Het woelige water: watermanagement in Nederland. Hilversum, Teleac/NOT.
Bron: de Vleet, Ecomare

