De Slufter | ![]() |

Tussen de Muy en de Eierlandse Duinen ligt de Slufter. Dit unieke gebied staat in open verbinding met de Noordzee. De Zanddijk tussen polder Eijerland en de Slufter is daardoor de zeewering geworden. Het Sluftergebied bestaat uit een krekenstelsel met bijbehorende kweldervegetatie. In de zomer is de vlakte paars van het bloeiende lamsoor. Het grootste deel wordt als vogelreservaat beheerd; alleen het zuidelijke gedeelte is vrij toegankelijk en is ook voor rolstoelen bereikbaar. De eidereend is broedvogel in het reservaatdeel.
Mislukte afsluiting
Tussen 1629 en 1630 werd over de zandvlakten in het zeegat tussen Texel en Eierland een
stuifdijk aangelegd, die de Zanddijk werd genoemd. Na de afsluiting van het zeegat groeide het gebied westelijk van deze stuifdijk meer en meer aan. De mens heeft zich met dit proces van
duinvorming dan ook sterk bemoeid. In 1855 werd ongeveer anderhalve kilometer westelijk van de Zanddijk door Rijkswaterstaat een nieuwe stuifdijk aangelegd. Deze dijk wordt de Lange Dam genoemd. De Lange Dam verbond de Slufterbollen (het duingebied ten noorden van
de Muy) met de Eierlandse Duinen.
In 1858 brak de Lange Dam op twee plaatsen door. Er ontstonden twee diepe geulen die de achterliggende strandvlakte binnenstroomden. Deze geulen werden de Grote en de Kleine Slufter genoemd. Ter hoogte van de Muy was er een derde doorbraak. |
De Grote Slufter werd pas in 1887 na een aantal pogingen definitief gesloten. De Kleine Slufter werd echter steeds groter en bleek moeilijk te dichten. Even is hij in 1902 en in 1910 afgesloten geweest, maar nieuwe doorbraken forceerden weer een opening naar zee. In 1925 is voor het laatst geprobeerd om de Slufter af te sluiten. Omdat dit weer mislukte kon het unieke gebied behouden blijven zoals het nu is.
Staatsbosbeheer en Rijkwaterstaat laten de Slufter tegenwoordig weer groeien, door eerder omdijkte valleien weer toe te voegen aan het getijdegebied.
Open verbinding met de Noordzee

Ter hoogte van de hoofdingang ligt de open verbinding met de Noordzee. Met hoogwater kan de zee ongehinderd naar binnen vloeien en alle kreken, geulen en prielen vullen met vers zeewater. Met laagwater stroomt het water weer terug naar zee.
De stroomsnelheid van het water is verschillend. De snelheid is het hoogst in de hoofdgeul, die in zee uitmondt. De monding van deze geul verplaatst zich in de loop van de jaren van noord naar zuid. Rijkswaterstaat probeert door verlegging van de sluftermond het "wandelen" binnen de perken te houden.
Op de vlakten waar de stroomsnelheid laag is, bezinkt slib. Dit zijn de wadachtige gedeelten van de Slufter. Deze vlakten zijn vooral in het noordelijke deel te vinden. Rond de hoofdgeul bij de ingang zijn deze vlakten veel zandiger. Grote schelpenbanken liggen hier bloot.
Bij storm in combinatie met westelijke winden komt een groot deel van het gebied onder water te staan. Hier en daar blijven de kruinen van enkele duinen boven water uitsteken. De grootste is de Palenbol in het noorden van de vlakte.
De hoofdgeul is alleen bij een combinatie van laag water, springtij en oostenwind doorwaadbaar. Door de complexiteit van de geulen is het mogelijk dat in de ene geul de binnenstromende vloed zichtbaar is en in de andere geul de wegstromende eb.
De invloed van de zee is het minst zichtbaar in het noordelijk deel van de vlakte, tegen de Krimweg aan. Hier komt het zeewater zelden. De hoogte van de laatste vloed is in het landschap zichtbaar aan de hand van de vloedmerken. In de Slufter bestaat dit veelal uit hopen plantaardige resten. Ook wordt zwerfvuil in het vloedmerk aangetroffen. Enkele malen per jaar wordt de Slufter gezuiverd van dit zwerfvuil door o.a. acties van Scouting Texel.
Vanaf de hoofdingang is het mogelijk om via een wandelroute rechtstreeks naar het strand te lopen. Er een bruggetje over de diepste kreek aangelegd.
Lamsoor en honingbijen
In juli en augustus bloeit het lamsoor massaal in de Slufter. Grote oppervlakten zijn bedekt met deze paarsbloeiende plant, die groeit op plaatsen, die niet dagelijks door het zeewater overstroomd worden. Het plantje heeft glanzend, brede bladeren waaraan hij zijn naam dankt.
Lamsoor is een honingplant. De plant maakt voldoende nectar aan om bezocht te kunnen worden door honingbijen. Rond de Slufter staan in deze maanden verschillende bijenvolken. Ze zijn eigendom van verschillende Texelse imkers. Het aantal volken in de Slufter is beperkt. Staatsbosbeheer heeft een maximum van 50 kasten gesteld binnen het gebied, om wilde bijen en andere nectaretende insecten een kans te geven. Buiten de reservaatgrenzen zijn er ongeveer 30 volken die ook op het lamsoor van de Slufter kunnen vliegen.
Lamsoorhoning heeft een kenmerkende, wat zilte smaak en ziet er enigszins groengeel uit. Het is een van de typische waddenprodukten.
Een eldorado voor vogels
Door de aanwezigheid van kwelders en de ruimte en de rust is het gebied voor verschillende vogels van belang. Sinds het noordelijke deel van de Slufter in 1990 is afgesloten voor publiek is dat belang toegenomen.
Veel steltlopers, meeuwen en eenden maken gebruik van dit gebied. De oevers van de kreken en de slikvelden worden door wulpen, scholeksters, bonte strandlopers, bontbek- en zilverplevieren, tureluurs, groenpootruiters, zilvermeeuwen, kok- en stormmeeuwen en bergeenden bezocht. Daar zoeken zij voedsel. Soms zijn er ook lepelaars te zien.
De kwelders worden meer bezocht door smienten, pijlstaarten en wintertalingen. In de winter bezoeken sneeuwgorzen, fraters en strandleeuweriken deze gebieden. Enkele bonte kraaien en ruigpootbuizerds overwinteren in het terrein.
Het gebied is ook een rustplaats voor veel vogels.Tijdens hoogwater vliegen soms ook grote groepen steltlopers van het wad naar de Slufter om er te overtijen. De meeste vogels rusten en slapen in het noordelijk gedeelte.
Bij de monding van de Slufter op de strandvlakte komen in wisselende aantallen dwergsterntjes tot broeden. Deze kleinste sterntjes maken hun broedsels onopvallend tussen de schelpenbanken. Daar broedt soms ook een enkele bontbekplevier en soms het zeldzame strandpleviertje.
Velduilen en blauwe kiekendieven broeden verspreid in de rustige gedeelten van de Slufter. Tussen de Palenbol en de Krimweg komen kieviten en grutto's tot succesvolle legsels. Tureluurs, veldleeuweriken en kluten komen overal voor.
Eidereenden
Eidereenden broeden soms nauwelijks verborgen op de kwelders van de Slufter. Andere paren zitten beschutter en kiezen een bosje of helm aan de rand van het gebied als broedplaats. De gebieden worden begin april door de broedvogels opgezocht.
Na het uitkomen van de jongen verzamelen de families zich in de diepere geulen. Sommige paren trekken met hun jongen naar het wad, meestal via de Noordzee.
Bron: de Vleet, Ecomare

Tussen 1629 en 1630 werd over de zandvlakten in het zeegat tussen Texel en Eierland een