Home

Zoeken

Zoek in 6490 artikelen


    Paling

    Paling - Foto Ecomare

    Palingen zijn bodemvissen die zowel in zoet als in zout water kunnen leven. Het zijn nachtdieren die zich gedurende de dag verstoppen in spleten en holen. Ze trekken naar zee voor de voortplanting en maken daarbij lange tochten. Vrouwtjes kunnen 1,35 meter groot worden (Nederlands vangstrecord, Markermeer 1996) terwijl mannetjes slechts zestig centimeter groot worden. In de winter zoeken palingen een vorstvrij water en graven zich in in het slik. De paling wordt op dit moment door overbevissing bedreigd. In 2007 is de paling tot beschermde diersoort verklaard en is er een Europees herstelplan opgesteld.

    Palingen voeden zich met watervlooien, pissebedden, krabben, vissen, slakken, mosselen, wormen en insectenlarven.

    Levencyclus

    In de Sargassozee (in de westelijke Atlantische Oceaan) worden de kleinste larfjes van de aal gevonden en daarom nemen we aan dat de plaats van de voorplanting daar dichtbij is. Heel exact is deze plaatsbepaling nog niet, want de Sargassozee is groter dan heel Europa. Elke vrouwelijke paling legt miljoenen eitjes. Het larvestadium duurt 1 tot 3 jaar en gedurende deze periode drijven de larven door zeestromingen naar Europese kust (een reis van 6000 kilometer). De larven voeden zich met zoöplankton en ontwikkelen zich vervolgens tot doorzichtige glasalen met een lengte van 7 centimeter. Glasaal eet niet.

    In de winter en het voorjaar komen de glasalen bij de estuaria van de rivieren aan. Door zich met vloed de rivier in te laten drijven en met eb bij de bodem te schuilen, kunnen ze zonder te zwemmen een eindje het zoete water in trekken. Dit heet selectief getijden transport. Pas bij een temperatuur van 10 tot 12 graden kunnen de alen actief zwemmen. In de winter, wanneer het water nog niet opgewarmd is, ontstaan hierdoor grote concentraties glasalen in riviermondingen en voor sluisdeuren. In Engeland en een paar landen rond de Middellandse Zee wordt de glasaal op zulke plekken commerciëel bevist.

    Na de volgende groeistap heten ze pootaal en voeden ze zich met insectenlarven, kreeftjes, wormen en watervlooien. Vanaf een lengte van 25 centimeter eten de palingen ook vis. In het voorjaar zwemmen de meeste jonge palingen de rivieren op. In dit zoet water blijven ze tot ze volwassen zijn. Een deel van de jonge paling doet dit echter niet en blijft dus hun hele leven in brak of zout water.

    De aal groeit heel langzaam door de lage temperaturen in onze buitenwateren. Een aal van 30 centimeter die je op de markt kunt kopen is 8 tot 10 jaar oud. De trektocht om zich voort te planten begint als de mannetjes ongeveer 35 tot 45 centimeter en de vrouwtjes meer dan 45 centimeter lang zijn. De dieren zijn dan nog niet werkelijk geslachtsrijp: dat worden ze pas tijdens de trek, onderweg naar de paaiplaats.

    De trek begint in het late voorjaar en de zomer. Gedurende deze tijd veranderen de dieren in schieralen (ook wel zilverpalingen genoemd). De kleur op de rug verandert van groen-bruin in zwart, terwijl de buikkant verandert van geel in een metaalachtige zilveren kleur. Ook worden de ogen groter, hun borstvinnen meer langwerpig, hun snuit smaller en ze stoppen met eten. Het is bekend dat palingen tijdens de trek uit de sloten door de (vochtige) weilanden kunnen kruipen. De paling heeft zijn kieuwen dan gesloten en maakt gebruik van huidademhaling. In de herfst trekken miljoenen van deze zilverpalingen door de Noordzee. Men veronderstelt dat de volwassen palingen na het paaien sterven.

    Onderzoek naar trek en voortplanting

    Op de universiteit van Leiden is een experimentele opstelling gebouwd om het trekgedrag van paling te kunnen bestuderen. In een complex van aquaria en tunnels kan men de hele reis van Nederland naar de Sargassozee simuleren. Men bootst het licht, de luchtdruk, de temperatuur en de waterstroming zo goed mogelijk na. In december 1997 begonnen 22 volwassen palingen uit de Grevelingen in dit systeem aan hun reis naar de Sargassozee. De onderzoekers hopen dat dit experiment meer helderheid verschaft over de trek van de paling en het raadsel van de voortplanting.

    In januari 2000 is uit het onderzoek in Leiden gebleken dat palingen in elk geval over voldoende vetreserves beschikken om de lange reis naar de Sargassozee te maken. Dit komt vooral doordat palingen erg efficiënt kunnen zwemmen en dus weinig vet hoeven te verbranden. De vissen hebben deze reserves nodig omdat tijdens de trek niet gegeten wordt. In dat vet zou wel eens een gevaar kunnen schuilen: vette palingen bevatten relatief extra veel giftige PCB's, die een verwoestend effect op de voortplanting hebben.

    Uit genetisch onderzoek is gebleken dat er meerdere populaties moeten zijn, met verschillende paaigronden. IJslandse paling blijkt bijvoorbeeld sterk te verschillen van Marokkaanse paling en de paling van het Europese vasteland. De onderzoekers hebben in 2000 een aantal palingen van de verschillende populaties voorzien van zeer lichte zendertjes om ze te kunnen volgen.

    In Nederland en Duitsland wordt ook onderzoek aan trekkende alen met zenders uitgevoerd. Het onderzoek maakt gebruik van een netwerk van detectiedraden dat dwars over de bodem van de grote rivieren is gespannen. Het systeem is ooit aangelegd voor een studie naar de trek van zalm-achtigen. De vissen, 130 stuks in 2005, werden in Duitsland met een zendertje uitgerust en vervolgens gevolgd op hun tocht richting zee.

    Paling bedreigd

    De palingstand in Nederland is nog maar een kwart van die in de jaren vijftig van de vorige eeuw. De exacte oorzaak van de achteruitgang is onbekend. Overbevissing, inpolderingen en de afsluiting van rivieren door sluizen, stuwen en dammen kunnen hebben geleid tot een drastische vermindering van de aalstand. Ook klimaatveranderingen en/of vervuiling kunnen een rol spelen. Volgens visserijbioloog Dekker, werkzaam bij IMARES en voorzitter van de aalwerkgroep van ICES, is het mogelijk dat de uiteindelijke oorzaak het uitzetten van Franse paling na de oorlog is. Door deze invoer kan de ecologie van de inheemse paling te zeer zijn veranderd. Volgens hem is alleen een algeheel vangstverbod de oplossing, al zal het dan nog tweehonderd jaar duren voor de stand zich heeft hersteld.

    De palingkwekerij in Nederland en in andere Europese landen heeft te kampen met een tekort aan aal. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is de intrek van glasaal aanzienlijk afgenomen. In Nederland gaat het om een daling van maar liefst 99% in 20 jaar tijd. Naast natuurlijke intrek zetten vissers ook zelf glasaal uit. Dit gebeurde een eeuw geleden ook al. De glasaal werd uitgezet in de polders, waar de glasaaltjes in 4 tot 10 jaar tijd uitgroeiden tot aal van een mooi formaat. De prijs van glasaal is echter van 10 euro per kilo in 1980 naar 250 euro per kilo in de afgelopen jaren gestegen. Bovendien bieden bijvoorbeeld Chinese aalkwekerijen wel 600 euro per kilo.

    In Engeland en een paar landen rond de Middellandse Zee wordt de glasaal commerciëel bevist. De visserij vindt plaats in de winter en het voorjaar in de zout-zoet overgangen zoals estuaria, riviermondingen en voor dammen. Een groot deel van de vangst wordt in Azië verder opgekweekt in aalkwekerijen en een deel in de EU. De kwekerijen hebben glasaal nodig, omdat kunstmatige voortplanting van de aal is tot nu toe nog niet mogelijk is. Ook wordt een deel van de gevangen glasaal uitgezet of consumeerd, met name in Spanje.

    De problemen in de aalvisserij moeten op Europees niveau worden opgelost. Die oplossing ligt waarschijnlijk in een betere verdeling van de vangst van glasaal over de Europese binnenwateren, gecombineerd met een beheerste visserij op volwassen aal, zodat er voldoende schieraal naar de oceaan kan trekken om te paaien. De internationale raad voor visserijonderzoek ( ICES) concludeerde in 1998 al dat de aalstand beneden het veilig geachte biologisch minimum lag.

    In 2004 heeft de Europese Commissie (EC) maatregelen aangekondigd om de exploitatie van de aalstand tot het laagst mogelijke niveau te beperken. Het doel daarbij is dat de aalstand in het hele continentale verspreidingsgebied weer op een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht. Nederlandse binnenvissers, die in belangrijke mate of zelfs helemaal afhankelijk zijn van de aalvisserij, maken zich ondertussen ernstig zorgen over hun toekomst.

    Gouden aal

    Gedeeltelijke goudaal uit het Grevelingenmeer - Foto van Jaap de Ronde, Visserijnieuws -

    Soms worden wel heel bijzonder gekleurde palingen aangetroffen. In 2004 werd er uit het Grevelingenmeer door de gebroeders Bout een knalgele paling met zwarte vlekken gevist. Ze kwamen terecht bij bioloog Dekker van het RIVO in IJmuiden, die zag dat het een 'gouden aal' betrof, een soort albino. Door de afwezigheid van donkere kleuren wordt juist het geel erg zichtbaar (xanthochromatisme).

    Verspreiding van paling

    Verspreiding van paling - Kaartje getekend door Sherri Huwer - Bestand visatl.cdr -

    De trek naar en van de Sargassozee is eveneens in bovenstaande kaart opgenomen.

    Namen:
    Ned: Paling (aal), bamisaal, blankaal, biezenbijter, blinker, breedbek, dikkop, happer, koppe, platkop, robber, schieraal, schoenveter, slokker, spitskop, zilverpaling, tetting (juveniel), tochtaal (juveniel), gele aal (juveniel), rode aal (juveniel), glasaal (larve))
    Lat: Anguilla anguilla
    Eng: European eel
    Dui: Flußaal
    Fra: Anguille
    Dan: Ål

    Bron: de Vleet, Ecomare