Olie | ![]() |
Olie komt in kleine hoeveelheden op natuurlijke wijze vrij door lekkage uit diepere aardlagen in zee. Verder worden door het fytoplankton ook op olie lijkende verbindingen aangemaakt. Op deze manier komt ongeveer 1000 ton olie per jaar in de Noordzee. De schattingen over de hoeveelheid olie die de Noordzee vanuit menselijke bronnen bereikt, lopen uiteen van 71.000 tot 150.000 ton. Meer dan de helft daarvan komt van het land via de rivieren in zee. Lozingen door de zeescheepvaart vormen de tweede grote bron van olievervuiling. Op het Nederlands Continentaal Plat loost de scheepvaart jaarlijks 5000 tot 13.000 ton olie, waarvan het grootste deel illegaal. | ![]() |
Illegaal lozen van olie of met olie vervuild spoelwater door schepen is de grootste oorzaak van olieslachtoffers onder de
zeevogels in de Noordzee. Jaarlijks ontdekken patrouillevliegtuigen en -schepen in het Nederlandse deel van de Noordzee (10% van de hele Noordzee) tussen de 300 en 500 olievlekken.
Illegaal lozen van olie of met olie vervuild spoelwater door schepen is de grootste oorzaak van olieslachtoffers onder de zeevogels in de Noordzee. Jaarlijks ontdekken patrouillevliegtuigen en - schepen in het Nederlandse deel van de Noordzee -een tiende deel van de totale oppervlakte- tussen de 300 en 400 olievlekken. In de meeste gevallen gaat het om minerale olie, de rest is plantaardig. Voor de minerale olie is er sprake van een licht dalende trend, voor de plantaardige olie juist een licht stijgende. |
De belasting van de Noordzee met olie

De totale belasting met olie van de Noordzee rond 1995 werd geschat op 150.000 ton. Dat was in 1990 nog 80.000 ton. De toenmalige belasting was vooral afkomstig van de scheepvaart (ruim 60.000 ton) en de aanvoer via de rivieren (67.000 ton). De rivieren voeren olie aan die afkomstig is van de binnenvaart, de huishoudens en het wegverkeer (via de rioolstelsels). De emissie door de offshore steeg tussen 1980 en 1990 flink, maar daalde na 1990 weer aanzienlijk door het verbod op het lozen van oliehoudend boorgruis.
De bodem van het Nederlandse deel van de Noordzee bevat op de meeste plaatsen minder olie dan de streefwaarde uit het beleid. Alleen rond boorplatforms en bij baggerstortplaatsen is de concentratie van olie in de bodem te hoog. Omdat oliehoudend boorgruis niet meer gestort mag worden, verslechtert de situatie van de bodem niet verder.
Olierampen op de Noordzee
Ongevallen met olie tankers of boorplatforms komen de laatste tijd zelden voor in de Noordzee. De meest recente grote olieramp dateert van januari 1993, toen de olietanker Braer bij de Shetland-eilanden in stukken brak. De tanker verloor 85.000 ton olie. Door het stormachtige weer viel de schade aan het milieu mee. De vrijgekomen olie verspreidde zich snel. 1500 kuifaalscholvers, zeekoeten en ijseenden kwamen om het leven.
In 1988 kwamen in de Nederlandse kustzone door de lekkende tanker Borcea voor de Zeeuwse kust zo'n 10.000 vogels om, terwijl er maar 300 ton olie in zee terecht was gekomen.
Olie in het zeemilieu
Olie is een mengsel van oplosbare en niet-oplosbare stoffen. De niet-oplosbare stoffen in olie kunnen in water een drijvende laag vormen waarmee zeedieren besmeurd kunnen raken. In het Nederlandse deel van de Noordzee komen jaarlijks ongeveer 40.000 vogels om door olievervuiling. Naast zeevogels als zeekoeten worden ook wadvogels zoals eidereenden slachtoffer van olieverontreiniging.
De oplosbare stoffen van olie zijn vaak giftig. Een deel van deze stoffen is makkelijk afbreekbaar of vluchtig en kan zich daarom niet ophopen in de voedselketen. Wel kunnen er plaatselijk slachtoffers door vallen. De slecht afbreekbare stoffen kunnen zich wel ophopen in voedselketens en in het sediment. De effecten van deze stoffen doen zich vooral voor op het niveau van het totale ecosysteem van een gebied. Het dynamisch evenwicht van een dergelijk systeem kan door bijvoorbeeld een olieramp voor vele jaren worden verstoord.
Bij de ramp met de Torrey-Canyon zijn in de levensgemeenschappen van de getijdenzone de verstoringen van zeer lange duur geweest: pas na zo'n 10 jaar was op de meeste plaatsen de oude toestand teruggekeerd.
Olie bij de vis is in ieder geval niet aan te raden. Vooral visseneieren zijn gevoelig voor olielozingen en -rampen. Bekend is dat eieren van kabeljauw, haring en schol al bij kleine hoeveelheden olie óf niet uitkomen, óf mismaakte larven opleveren. De larven gingen meestal binnen 24 uur na uitkomen dood.
Olie op het wad
De kans dat een omvangrijke olieramp de Waddenzee teistert schatten experts op eens in de 50 jaar. In de Waddenzee, waar een groot gedeelte van de bodem met laag water droogvalt, kunnen olievlekken op de wadplaten aanspoelen. Voordat de bodemdieren in de olie stikken, brengen ze door hun graaf-activiteiten de olie in de zuurstofloze bodem. De olie is dan niet meer te verwijderen. Bacteriën breken de olie af, maar dat duurt, als gevolg van het gebrek aan zuurstof, erg lang. Bij een onverhoopte olieramp in de Waddenzee is het dus zaak dat de olie zo snel mogelijk langs mechanische weg van de wadbodem wordt verwijderd. Wanneer een hoeveelheid van 10 milliliter olie terecht komt op een vierkante meter wadbodem kunnen er al effecten op het wadleven waargenomen worden.
De Waddenzee is tot nu toe gelukkig een echte olieramp bespaard gebleven. Maar de kans is wel degelijk aanwezig: de passerende schepen op de scheepvaartroutes ten noorden van de eilanden vervoeren samen gemiddeld per dag ongeveer 200.000 ton olie. Op de Waddenzee wordt jaarlijks ongeveer 250.000 ton olie vervoerd ter bevoorrading van de eilanden.
Effecten voor de kustvegetatie
Vooral grote olierampen kunnen voor wieren en kwelderplanten desastreus zijn: de bovengrondse plantendelen sterven af; in het gunstigste geval herstelt de begroeiing van rotskusten en kwelders zich na 1-2 jaar. Rampen buiten het Noordzeegebied, met de tankers Torrey Canyon (1967, voor de kust van Cornwall) en Amoco Cadiz (1978, voor de kust van Bretagne), hebben laten zien hoe groot de schade kan zijn. Eénjarige kwelderplanten als zeekraal en schorrenkruid herstellen zich minder snel van een olieramp dan meerjarige soorten. Daardoor ontstaat na een olieramp een andere vegetatie.
Oliebestrijding

Een olievervuiling kan op twee manieren worden aangepakt. Men kan de olie behandelen met chemicaliën zodat de oliedeeltjes zich verspreiden in het water (dispergeren) of men kan de olie opvegen: mechanische verwijdering.
Aard en omvang van de schade zal sterk afhankelijk zijn van de wijze waarop een olieramp tegemoet wordt getreden. Bij het laten drijven van de olie is schade aan vogels, vislarven en visseneieren mogelijk, alsmede aan de getijdenzone in het geval de olie de kust bereikt. Chemisch dispergeren kan dit voorkomen, maar kan in stilstaande waterbekkens plaatselijk tot hoge concentraties aan olie in de waterfase aanleiding geven en daardoor vissen en andere organismen schade berokkenen.
Mechanische verwijdering verdient dan ook de voorkeur. In die gevallen waar de golfhoogte of de omvang van de ramp dit onmogelijk maakt zal de optie van dispergeren moeten worden gehandhaafd. In die gevallen zullen ook ecologische aspecten mede in de afweging betrokken moeten worden.
Kleine olievlekken zijn moeilijk te bestrijden. Meestal is zo'n vlek al uit zichzelf verdund en verdampt voordat een oliebestrijdingsschip op de plek des onheils aanwezig is.
Nederland heeft een aantal speciale oliebestrijdingsvaartuigen, waarvan de in 2000 in de vaart gekomen Arca (uit de vloot van de Kustwacht) het nieuwste is. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van baggervaartuigen die met veegarmen zijn uitgerust. Voor het verwijderen van aangespoelde olie op stranden, kwelders en andere kusten zijn andere hulpmiddelen beschikbaar. Op verschillende plaatsen langs de kust, ook op de Waddeneilanden, zijn containers neergezet met materiaal om handmatig olie van de kust te verwijderen. Eén zo'n container bevat genoeg materiaal om met 50 tot 100 mensen de oliebestrijding aan te pakken.
Rijkswaterstaat gaat ervan uit dat een grote olieramp eens in de 100 jaar voorkomt. Het is volgens Rijkswaterstaat te duur om voor een ramp van een dergelijke omvang (77.000 ton olie) voldoende opruimcapaciteit achter de hand te houden. De bergingscapaciteit is nu 15.000 ton voor het Nederlandse deel van de Noordzee en nog veel minder voor de Waddenzee en de Westerschelde.
In Engeland is een soort gel uitgevonden die olie absorbeert. Een vervuild stuk strand kan hiermee behandeld worden door de gel uit te smeren en een tijdje te laten liggen. Nadat de olie opgenomen is door de gel kan deze als een soort mat opgerold worden en afgevoerd voor verwerking.
Weblinks
Over oliebestrijding op de Noordzee:
http://www.noordzee.org/Levende_zee/oliebestrijding/
Spaanse animatie van de ramp met de Prestige (drukken op 'comenzar' )
http://www.elmundo.es/elmundo/2002/graficos/nov/s2/petrolero.html
Rapport over de gevolgen voor zeevogels langs de Belgische kust na het vergaan van de Tricolor:
http://www.mumm.ac.be/Downloads/tricolor_brochure.pdf
Animatie over het ontstaan van aardolie:
http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20030623_aardolie02
Capaciteitsnota 2006-2010:
http://www.rijkswaterstaat.nl/nz/Images/capaciteitsnota%20definitief_tcm50-62265.pdf
Bron: de Vleet, Ecomare


Illegaal lozen van olie of met olie vervuild spoelwater door schepen is de grootste oorzaak van olieslachtoffers onder de