Kwelders (schorren) | ![]() |

Kwelders zijn stukken land die direct, zonder duinenrij of dijken, aan ondiepe getijdengebieden zoals de Waddenzee grenzen. Ook in het deltagebied komen kwelders voor, die men daar 'schorren' noemt. Bij hoge waterstanden worden kwelders overspoeld met zeewater. Met het zeewater meegevoerde zand- en slibdeeltjes kunnen dan bezinken. Ze komen tussen de vegetatie terecht en spoelen daardoor niet meer weg. Door deze opslibbing worden kwelders geleidelijk hoger.
Er is een groot verschil tussen lage en hoge kwelders. Lage kwelders staan bij vrijwel elk hoogwater onder water, terwijl hoog gelegen kwelders alleen bij stormvloeden onder water komen.

Door het regelmatige zoutbad kunnen er op de kwelder alleen maar planten groeien die tegen een flink zoutgehalte in de bodem kunnen. Kwelders vormen qua oppervlakte een zeldzaam natuurgebied met een unieke flora en fauna.
Kwelders langs het wad en schorren in de Delta

In Nederland zijn zowel in het deltagebied als in het waddengebied kwelders te vinden.
Bekende kwelders zijn de Slufter op Texel, de Boschplaat op Terschelling, het Nieuwlandsreid op Ameland en de Oosterkwelder op Schiermonnikoog. Grote kwelders aan de landzijde zijn te vinden ten oosten van Lauwersoog, aan de zuidkant van de Dollard en ten westen van Holwerd (Noord-Friesland Buitendijks). Bij elkaar was het kwelderareaal in het waddengebied in 2000 ongeveer 6200 hectare. Volgens de doelen van de Kaderrichtlijn Water moet dat 15.000 hectare worden.
Sommige kwelders breiden zich nog steeds uit. Op andere plaatsen gaan stukjes kwelder verloren als gevolg van veranderende stromingen of stormen. Daar ontstaat meestal een scherpe overgang van onbegroeid wad naar kwelder in de vorm van een kwelderklif van enkele decimeters hoog. Op zo'n klifrand is mooi te zien hoe de kwelder is opgebouwd uit dunne laagjes zand en slib. Uitbreiding en afbraak kunnen gelijktijdig plaatsvinden binnen een kwelder: hoewel de kwelder hoger wordt, vindt aan de zeekant afslag plaats. Niet alle kwelders zijn op natuurlijke wijze ontstaan. De kwelders langs de kust van Groningen en Friesland zijn in de loop van de eeuwen door mensenhanden ontstaan: de kwelderwerken.
Kwelders ontstaan in beschutte kustgebieden; de zwakke stroming geeft de met het zeewater meegevoerde zand- en slibdeeltjes een kans te bezinken. In de Waddenzee wordt zo elk jaar ongeveer 3,5 miljoen kubieke meter zand en slib afgezet. De aanslibbing is niet overal even sterk: op rustige plaatsen kan, laagje voor laagje, zoveel slib op een wadplaat worden afgezet dat de plek hoog genoeg wordt voor de vestiging van kwelderplanten. Kenmerkende soorten voor de kweldervegetatie zijn bijvoorbeeld zeekraal, lamsoor, schorrenkruid, zoutmelde, zeeaster en zeealsem.
Een kwelder heeft een duidelijke zonering in de vegetatie. Vanaf de zeekant vind je eerst een zone met zeekraal en met pollen Engels slijkgras. Iets hoger op de kwelder, ongeveer op de hoogwaterlijn groeit het kweldergras. Op de middenkwelder groeien lamsoor, zeealsem, zoutmelde, zeeaster en zilte schijnspurrie. De middenkwelder krijgt alleen het zoute water te verduren bij hoge vloed. De planten die minder goed tegen zout water kunnen vindt men op de hoge kwelder. Hier komen soorten voor als Engels gras, rood zwenkgras en strandkweek. Verder komen er gewone landplanten voor.
In de vroege Middeleeuwen bestond een zeer groot deel van de huidige provincies Groningen, Friesland en Noord-Holland uit uitgestrekte kwelders, afgewisseld door meren, veenmoerassen, en kunstmatig opgeworpen heuvels: de terpen of wierden. Dit landschap lag achter een strandwal met duingebieden die op verschillende plekken was doorbroken zodat het zeewater erachter vrij spel had. De Zuiderzee, Waddenzee, Middelzee en Lauwerszee vormden samen een ondiep getijdengebied waarin een zeer geleidelijke overgang bestond van vrijwel zoet, via brak naar zout water.

De mensen in dit unieke landschap waren vooral veehouders. Zij lieten hun vee op de kwelders grazen. De nederzettingen lagen op de hoger gelegen delen, waar men ook op bescheiden schaal akkerbouw pleegde als de bodemgesteldheid dat toeliet. Met het oog op de veiligheid en vanuit een behoefte naar meer akkergrond begon men stukken hoog land met dijkjes te beschermen: de eerste vorm van landaanwinning. Gaandeweg verbeterde de techniek en kon men steeds grotere stukken kwelder aan de invloed van het zeewater onttrekken. Weer later werd uitgevonden dat je met behulp van windenergie water uit een meer kunt pompen: de eerste droogmakerij. Nog later werden complete zee-armen afgesloten: de Zuider- en Lauwerszee werden IJssel- en Lauwersmeer. Via deze vormen van landaanwinning en droogmakerijen werd het areaal aan kwelders in het waddengebied in de afgelopen 5 eeuwen gereduceerd tot wat er nu nog over is: ruim 2800 hectare op de eilanden, ruim 1800 hectare langs de vastelandskust en ongeveer 800 hectare in de Dollard.
Nog in de jaren zestig van de vorige eeuw bestonden er plannen om ook minstens de helft van de huidige Waddenzee in te polderen. Uit het maatschappelijk protest tegen die plannen ontstond de Waddenvereniging, die vervolgens met succes het merendeel van de landaanwinning in de Waddenzee wist tegen te houden.
Het beheer van kwelders verschilt per gebied. Op een aantal kwelders wordt bewust niets gedaan. De natuur mag haar gang gaan. Het bekendste gebied waar niets gedaan wordt is Rottumeroog. Op de Oosterkwelder van Schiermonnikoog, voorbij de natuurlijke duinen wordt een stuifdijk onderhouden. Vaak wordt een kwelder beweid. Zo kan een wandelaar in de Slufter op Texel wel eens tussen de schapen lopen. Rundvee kan gevonden worden op het Nieuwlandsreid op Ameland.
Weblinks
Over beheer van slikken en kwelders:
http://www.ecologisch-herstel.nl/onderwerpen/herstelmaatregelen/slikken/
Amerikaans educatief project over kwelders:
http://www.massaudubon.org/saltmarsh/index.php
Duitstalige website over kwelders:
http://cwss.www.de/tgc/MD-Stade-D/WSP-D/03Salzw.html.
Animatie over kwelders:
http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20030328_zeeklei02
