Japanse oester | ![]() |

In de Waddenzee is de Japanse oester sterk in opmars, net als in de Oosterschelde en de Grevelingen. Sinds 1965 wordt dit schelpdier op vrij grote schaal geteeld in de Oosterschelde. In de Waddenzee is het dier in 1983 geïntroduceerd. In de Grevelingen vormt de opmars van de Japanse oesters een bedreiging voor de teelt van de Zeeuwse platte oester. Beide oestersoorten leven van hetzelfde plankton, maar de Japanse oester kan zich aanzienlijk sneller vestigen en 'de platte' verdrijven.
In de handel staat de Japanse oester bekend onder de naam 'creuse'. De 'fines de claires' is de topkwaliteit die geleverd wordt langs de Atlantische kust van Frankrijk. Een paar maanden voordat het in de handel wordt gebracht, wordt de oester opgevet in oude zoutpannen, waar hij leeft van het daar groeiende plankton. Dit geeft een kleurrandje in de kieuw.
Japanse oesters ontwikkelen zich eerst tot mannelijk exemplaar, later veranderen ze in een vrouwelijk exemplaar. Vanaf hun eerste levensjaar paaien de oesters. Op het noordelijk halfrond gebeurt dit in juli en augustus. Een vrouwtje kan tot wel 100 miljoen eieren produceren, die buiten de schelp bevrucht worden. De larven zwemmen 15 tot 30 dagen in het water, waarna ze zich vestigen aan een vast oppervlak (bijvoorbeeld een kokkelschelp), om uit te groeien tot een volwassen schelp.
De Japanse oester is na twee jaar geschikt voor consumptie wanneer hij zo'n 100 gram (versgewicht) weegt. Bij de platte oester duurt dit veel langer. Pas na vier jaar bereikt de platte oester een gewicht van 75 gram.
Oesters in de meerderheid in de Oosterschelde
Volgens het Centrum voor Schelpdier Onderzoek in Yerseke bestaat zo'n 30% van het schelpdierbestand in de Oosterschelde nu al uit Japanse oesters. Verwacht wordt dat dit percentage nog flink zal stijgen. Naast platte oesters worden ook kokkels verdrongen door de Japanse oester. De Japanse oester concurreert niet alleen om de beschikbare plek, maar eet ook nog eens het voedsel -en zelfs de larven- van mosselen en kokkels op. Het aantal kokkels in de Oosterschelde is in 1999 met 70% afgenomen, aldus het CSO.
Ook in de Waddenzee is de Japanse oester aan een opmars bezig Voor 1940 kwam de platte oester hier in grote aantallen voor, maar deze oesters zijn allemaal verdwenen als gevolg van ziektes. De creuse heeft zich nu gevestigd. In de westelijke Waddenzee ( Mokbaai bij Texel, wad onder Vlieland) wordt deze soort al sinds 1983 aangetroffen, en sinds de zomer van 1998 zijn er ook waarnemingen uit het oostelijke waddengebied. Eind 1999 kwam de Japanse oester in de hele Nederlandse Waddenzee voor, van Texel tot en met de Eemshaven.
In het Duitse gedeelte van de Waddenzee vormt de Japanse oester al wat langer een bedreiging voor de teelt van andere schelpdieren. Met name mosselbanken lopen gevaar. In april 1991 werd een jonge Japanse oester op een mosselbank bij Sylt gevonden. Twee jaar later kwamen op verschillende mosselbanken grote Japanse oesters voor. Sindsdien stijgen het aantal en de dichtheid waarin de oesters gevonden worden jaarlijks. Momenteel zijn de Japanse oesters al tot zo'n 50 kilometer gekomen vanaf de plaats waar de dieren het eerst op Sylt werden waargenomen.
Verdringing van mosselen en kokkels?

In de Oosterschelde is onderzoek gedaan naar de effecten van het oesterbestand op het Oosterschelde-systeem. Hierbij is gebleken dat de creuses (Japanse oesters) een groot deel van de beschikbare hoeveelheid fytoplankton in de Oosterschelde consumeren. Volgens het Centrum voor Schelpdieronderzoek in Yerseke heeft de aanwezigheid van de oesters dan ook onmiskenbare gevolgen voor de rest van de schelpdierbestanden in het ecosysteem. Ook filteren de volwassen oesters de larfjes van andere schelpdieren uit het water en nemen de oesters veel ruimte in beslag, waardoor de broedval op het wad van andere schelpdieren wordt bemoeilijkt. Om de gevolgen exacter te kunnen beschrijven is verder onderzoek noodzakelijk.
De schelpdierkwekers in Zeeland willen het liefst zo snel mogelijk de woekerende creuzes in de 'Oesterschelde' te lijf gaan met stalen korren om ze te verwijderen. De provincie Zeeland wil niet direct een schoonmaakactie beginnen, maar de mogelijkheden zorgvuldig bekijken en eventueel actie ondernemen in de vorm van een pilotproject.
Uit het oogpunt van biodiversiteit kunnen de riffen van de Japanse oester de meer dan een halve eeuw geleden verdwenen banken van platte oesters vervangen. De dichtheid van de Japanse oester is veel groter dan die van de platte oester indertijd was. De functie van een rif als schuilplaats voor andere soorten is dan ook groot. De totale biodiversiteit is waarschijnlijk gelijk aan, of groter dan, die van de oude banken. Misschien kunnen de nieuwe oesterriffen ook zorgen voor een toename van zeegras.
Namen:
Ned: Japanse oester (creuse, wilde kreuse)
Lat: Crassostrea gigas
Eng: Pacific oyster (Japanese oyster)
Dui: Pazifische Auster (Felsenauster)
Dan: zie Latijnse naam (Øster)
Weblink
Japanse oester als nieuwkomer in de Belgische wateren:
http://www.vliz.be/vmdcdata/nonindigenous/pdf/nl/140656.pdf
Bron: de Vleet, Ecomare
