Industrievisserij | ![]() |

De industrievloot vangt in de Noordzee voornamelijk sprot, kever en zandspiering. Dit zijn kleine, kort levende soorten vis, die in grote scholen in de Noordzee voorkomen. Het gaat jaarlijks om ongeveer een miljoen ton vis: dat is ruim de helft van alle vis die er op de Noordzee wordt gevangen. Deze vis wordt verwerkt tot veevoer, vislijm en visolie.
In de Noordelijke Atlantische Oceaan vangt de industrievloot ook lodde, blauwe wijting en haring. Omdat het gaat om grote scholen kleine vis gebruikt men grote, zeer fijnmazige netten. Critici spreken wel eens van 'nylonkousen'. Het gaat om zwevende sleepnetten ( pelagische trawls) of om ringzegens (netten die wel 2 kilometer lang en 150 meter diep kunnen zijn). De vis wordt aan boord direct vermalen tot een soort pulp die in de haven gemakkelijk uit het schip gepompt kan worden. Deze pulp wordt in de haven verder verwerkt tot vismeel of visolie. Het vismeel is vooral bestemd als diervoeder ( varkens, pluimvee, pelsdieren en visteelt). De visolie wordt onder meer gebruikt in de margarine-industrie.

Esbjerg, thuishaven van de Deense industrievloot
Gevolgen voor het ecosysteem
In het recente verleden is enkele malen duidelijk geworden dat deze vorm van visserij sterk ontwrichtend kan werken op het ecosysteem in zee. Rond 1985 stortte opeens de stand van zandspiering rond de Shetland-eilanden in, mede als gevolg van de hoge visserijdruk. Dit leidde jaren achtereen tot slechte broedresultaten in de kolonies zeevogels op de eilanden. In diezelfde tijd viste de Noorse industrievloot in de Barentsz Zee vrijwel alle lodde (een kleine vissoort uit arctische wateren) weg. Dit leidde direct tot massale sterfte onder de zeevogels aldaar. Vrijwel alle zadelrobben uit het gebied trokken weg naar de zuid-Noorse kusten, waar ze verdronken in visnetten, of werden afgeschoten uit angst voor de concurrentie met de kustvisserij.
Omdat het gaat om kort levende soorten kunnen de populaties van de vis zich in het algemeen redelijk snel herstellen. Maar voor de roofdieren die er van afhankelijk zijn, werken dit soort schommelingen in het voedselaanbod veel langer door. Veel biologen nemen aan dat dolfijnen en bruinvissen uit de noordelijke Noordzee massaal naar het zuiden zijn getrokken als gevolg van voedselschaarste in de noordelijke wateren.
Plaatselijk kan de situatie anders zijn. Uit Duits onderzoek is gebleken dat vanaf 1987 tot 2005 de visstand in de Duitse Bocht gestaag is toegenomen. De oorzaak zou zijn dat haringen en kleine bodemvissen niet meer door kabeljauw gegeten worden, omdat de kabeljauw sterk in aantal achteruit is gegaan.
In 2005 was de opbrengst van zandspiering en kever zo laag geworden, dat de grote vismeelfabriek in Esbjerg moest sluiten wegens gebrek aan aanvoer door de 80 voor de fabriek varende industrievissers.
Bijvangst
Doordat de vissers met fijnmazige netten werken, wordt vrijwel alle vis uit het water gehaald. Bij de vangst van sprot vangen ze zo tot meer dan de helft van het gevangen volume aan jonge haring (bliek) mee. Bij de vangst van kever bestaat de bijvangst vooral uit jonge wijting. De vangst van volwassen haring en wijting wordt streng gecontroleerd door het stelsel van vangstquota, maar de stand van deze vissoorten wordt ondermijnd door de verwerking van het broed tot vismeel. Om deze reden protesteert de Nederlandse visserij, die zich juist heeft gespecialiseerd in de vangst van volwassen exemplaren van de commerciële soorten, al jarenlang tegen de vrij ongelimiteerde industrievisserij.
Weblinks
Sites over industrievisserij:
http://europa.eu.int/comm/fisheries/doc_et_publ/magaz/fishing/mag22_nl.pdf
http://www.kennislink.nl/web/show?id=114849
Bron: de Vleet, Ecomare
