Hermelijn | ![]() |

Hermelijnen zijn te vinden in houtwallen en bebost terrein, maar ook aan slootkanten en in rietvelden, in de duinen en in broekbossen. Schuilplaatsen vindt de hermelijn in oude ratten- en konijnenholen, onder boomwortels en in houtstapels, nisjes en boomholtes. Holen met een doorsnede kleiner dan 5 centimeter kan hij niet in. Hermelijnen eten vooral woelmuizen en -ratten, maar ook konijnen, soms ook vogels of hun eieren. 's Zomers zijn hermelijnen bruin, maar 's winters is de vacht spierwit. Alleen de staartpunt is altijd zwart.
Van de waddeneilanden komt de hermelijn alleen op Texel, Terschelling en Sylt voor. (Op Texel en Terschelling is deze soort uitgezet ter bestrijding van muizenplagen). Sinds 1970 is de hermelijnenpopulatie in aantal achteruitgegaan als gevolg van verdringing door vossen, een parasitaire wormenziekte en het verkeer. Ook het teruglopen van de woelrattenstand zou, net als bij de wezel, een oorzaak kunnen zijn.
Hermelijnen verdwijnen uit duingebieden waar vossen verschijnen. Beide soorten jagen op ongeveer dezelfde dieren. Door voedselconcurrentie moet de hermelijn vaak het veld ruimen. Het is ook bekend dat vossen op hermelijnen jagen en deze doodbijten om territoria in te kunnen nemen.
Weblink
Wikipedia over de hermelijn:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Hermelijn_%28dier%29
Namen:
Ned: Hermelijn (muishondje)
Eng: Stoat (met bruine zomervacht), Ermine (met witte wintervacht)
Fra: Hermine
Dui: Hermelin (das Große Wiesel)
Lat: Mustela erminea
Bron: de Vleet, Ecomare
