Home

Zoeken

Zoek in 6490 artikelen


    De Geul

    De Geul, Texel - foto Pam Lindeboom, Ecomare

    De Geul is een lange vallei tussen twee duinenrijen in het zuidwestelijk Texels duingebied. Het gebied ontstond toen de zandplaat Onrust in het begin van de 20e eeuw vastgroeide aan Texel. De Geul is bekend om zijn lepelaarkolonie. Er is een uitkijkpunt, ook geschikt voor rolstoelgebruikers, waar men de kolonie kan gadeslaan. Het rietland wordt bevolkt door veel vogels. Er is een grote kolonie meeuwen. Het gebied ten noorden van de Geulvallei wordt begraasd door Schotse Hooglanders en Exmoor ponies.

    Afgesneden duinvalleien

    De Geulvallei is één van de valleien op de zuidwestkant van Texel, die ontstaan zijn door insnoering van strandvlaktes. Oudere valleien zijn het Pompevlak met het Grote Vlak en de Schettersweid met het Noordvlak. De Horsmeertjes, de Kelderhuispolder en de Kreeftepolder zijn valleien die later ontstaan zijn.

    De ontstaansgeschiedenis van De Geul kan niet los gezien worden van de ontwikkeling van zandbanken voor het Marsdiep. Op de plaats waar nu ongeveer de Razende Bol zich bevindt, bevond zich halverwege de achttiende eeuw een andere zandbank. Deze zandbank werd Onrust genoemd. Hij verplaatste zich in de richting van Texel en groeide pas in 1910 of 1914 vast. Dit proces noemen we "verhelen". Door de grote aanwas van zand vormde zich op de strandvlakten een reeks boogvormige duinenrijen.

    Rond een van deze reeksen werd De Geul afgesnoerd. Rond 1920 werd deze vallei door een kunstmatige duinenrij langs de westzijde van zee-invloeden afgesloten. In eerste instantie bleef de Geulvallei aan de oostzijde in open verbinding staan met de Mok. Dit gat verzandde spoedig. In 1927 was De Geul een afgesloten meertje geworden.

    Vegetatiekartering

    Bij opnamen voor een vegetatiekartering van het gebied zijn veel bijzondere plantensoorten aangetroffen. In 1997 bleken er veel maanvarentjes opgekomen te zijn, in 1998 werd onder andere het zeldzame glad biggenkruid en oermos aangetroffen. Op een geplagde plek waar kwelwater aan de oppervlakte kwam werd beekstaartjesmos aangetroffen. Beekstaartjesmos is nog maar één keer eerder in de Nederlandse duinen aangetroffen: op Terschelling, in 1869.

    Lepelaars in de Geul

    De lepelaarskolonie van de Geul is een van de drie kolonies op Texel. In 1943 werden de eerste broedgevallen geconstateerd. Pas na 1954 kon de kolonie zich definitief vestigen. De eerste jaren waren moeilijk. Er was steeds verstoring door militairen vanwege schietoefeningen op De Hors. In 1955 waren er broedpogingen, maar er kwamen geen jongen groot. Na die tijd heeft zich steeds een kleine kolonie kunnen handhaven, ondanks de overlast en verstoring van militaire oefeningen.

    De kolonie nam in 1990 plotseling toe tot een 40 tot 45 paar. Deze onverwachte stijging was het gevolg van verstoring van de kolonie in het Zwanenwater nabij Callantsoog door vossen. De vogels blijken De Geul trouw te zijn na hun vertrek uit het Zwanenwater. Het is opvallend dat de meeste behoorlijk vroege broeders zijn. De eerste vliegvlugge jongen worden rond 10 mei gezien.

    Terwille van de belangstellenden heeft Staatsbosbeheer op een duintop een uitzichtplatform gemaakt. Van deze plaats heeft men een prachtig uitzicht op de Geulplas en de omgeving. In de broedtijd is er alle kans om daar lepelaars te zien. De vogels staan vaak op de in het water aangebracht plankier. De vogels nestelen tussen het riet en de ruigte achterin de Geulplas.

    In de zomer zoeken lepelaars vaak hun voedsel in de nabijgelegen Mokbaai. Jonge vogels zijn vooral in de vlucht gemakkelijk te herkennen aan de zwarte vleugeltoppen.

    Meeuwengroei tegen de verdrukking in

    Er broeden veel meeuwen in de drogere delen van het gebied. De zilvermeeuw was de meest algemene soort. De kolonies herbergen verder stormmeeuwen en een steeds toenemend aantal kleine mantelmeeuwen, die nu het talrijkst zijn geworden.

    De aanwezigheid van veel voedsel is een belangrijke oorzaak van deze grote kolonie. De nabijheid van de visserijhaven in met visafval en voedselresten en de aanwezigheid van een lange kustlijn met veel schelpdieren, kadavers en afval zorgen voor hoge aantallen zilvermeeuwen. De aanwezigheid van rustgebieden in de nabije omgeving maakt de Geul aantrekkelijk. Grote aantallen meeuwen rusten op de Horsmeertjes, de Hors en de Razende Bol.

    Kleine mantelmeeuwen zoeken het voedsel meer op open zee. Zij vliegen vaak achter vissersboten aan en doen zich tegoed aan visafval.

    Ook in de Geul zijn de zilvermeeuwen op grote schaal bestreden, tot men de hoop op effectieve bestrijding in de loop van de jaren zestig van de vorige eeuw opgaf. Het aantal zilvermeeuwen nam daarna sterk toe. De toename van de kolonie in de Geul werd bovendien bevorderd door de opening van een vuilstortplaats nabij het licht van Troost in 1970. De sluiting van de vuilstort had een lichte vermindering van het aantal broedende zilvermeeuwen tot gevolg.

    De verhouding tussen de broedende zilver- en kleine mantelmeeuwen is in de loop van de tijd anders geworden. In 1970 vond het eerste broedgeval van de kleine mantelmeeuw in de Geul plaats. In 1992 werden maar liefst 1460 paar geteld. In 1996 waren er meer dan 7000 tegen ruim 6000 paar zilvermeeuwen. Ook op Terschelling werd een sterke groei van het aantal kleine mantelmeeuwen geconstateerd.

    Hooglanders in het Natte Vlak

    Hooglander bij bordje 'begrazingsgebied' - Foto van Sytske Dijksen, © Foto Fitis: - www.fotofitis.nl -

    Sinds 1995 grazen Schotse Hooglanders in de duinen van de Geul en de Bollekamer. Later zijn Exmoorpony's toegevoegd. Het begraasde gebied in de Geul ligt rond het Pompevlak en het zuidelijke deel van het Groote Vlak. Uiteindelijk zullen meer dan 50 Schotse Hooglanders in beide gebieden grazen.

    Bron: de Vleet, Ecomare